ECLI:NL:RBZWB:2025:207

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 januari 2025
Publicatiedatum
17 januari 2025
Zaaknummer
BRE-24_25_tm_24_28
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:17 AwbArt. 6:12 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen niet-ontvankelijk wegens ontbreken ingebrekestelling bij bezwaar BPM

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaren tegen de betalingen op aangiften BPM van vier auto's. De rechtbank beoordeelt of de beroepen ontvankelijk zijn, waarbij vereist is dat belanghebbende eerst een ingebrekestelling aan de inspecteur heeft gestuurd.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de ingebrekestelling die belanghebbende heeft overgelegd betrekking heeft op een bezwaar tegen een naheffingsaanslag en niet op de BPM-bezwaren. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat de inspecteur voor deze BPM-bezwaren in gebreke is gesteld.

Omdat een ingebrekestelling ontbreekt, verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk en kan zij het beroep niet inhoudelijk beoordelen. Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de redelijke termijn in de procedure bij de rechtbank niet is overschreden.

De rechtbank besluit de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren en het verzoek om immateriële schadevergoeding af te wijzen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een ingebrekestelling en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/25 tot en met 24/28

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die belanghebbende heeft ingesteld, omdat de inspecteur volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 25 februari 2020 tegen de betalingen op aangiften BPM van een viertal auto’s.
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Zijn de beroepen ontvankelijk?
3. Belanghebbende stelt bezwaar te hebben gemaakt tegen de betalingen op aangiften BPM van vier auto’s. Belanghebbende overlegt in dat kadereen ontvangstbevestiging van de inspecteur van 4 maart 2020 van de bezwaren tegen de op aangifte voldane BPM-bedragen. In deze brief staat als referentie van de Belastingdienst “ [referentie 1] ” en als referentie van belanghebbende “ [belanghebbende] , WLTP 4x”.
3.1.
Belanghebbende stelt dat hij vervolgens de inspecteur in gebreke heeft gesteld in verband met deze bezwaren. In de door belanghebbende ingediende ingebrekestelling staat het volgende:
“uw ref. [referentie 2]
onze ref. [belanghebbende] WLTP 4x
(…)
Onderwerp: Ingebrekestelling wegens niet tijdig nemen van een besluit inzake het bezwaar tegen de naheffingsaanslag van met kenmerk [referentie 2] .
(…)
Ik stel vast dat de wettelijke beslistermijn voor het nemen van een besluit op bezwaar inmiddels is verstreken. Daarom stel ik u in gebreken, zoals bedoeld in artikel 4:17 Awb Pro.”
3.2.
Belanghebbende overlegt ter onderbouwing ook een foto van de kaft van zijn eigen dossier. Daarop is aangetekend dat er een bezwaarschrift is verzonden en dat er een beroepschrift is verzonden.
3.3.
De rechtbank overweegt dat uit de ingebrekestelling niet blijkt dat belanghebbende een ingebrekestelling heeft verzonden voor het bezwaarschrift tegen de betalingen op aangiften BPM. In de ingebrekestelling staat een andere referentie van de Belastingdienst en deze ziet kennelijk op een bezwaar tegen een naheffingsaanslag. Uit de overgelegde dossierkaft volgt ook niet dat in dit dossier een ingebrekestelling is verzonden. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat de inspecteur ter zake van deze bezwaren in gebreke is gesteld voordat beroep is ingesteld.
3.4.
Als de betrokkene geen ingebrekestelling stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet inhoudelijk kan beoordelen.
Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade?
4. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn. In een geval als dit, waarin het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting alleen betrekking hebben op de procedure bij de rechtbank. [2] De rechtbank constateert dat de redelijke termijn in beroep niet is overschreden en wijst het verzoek af.

Conclusie en gevolgen

4.1.
De beroepen zijn kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De rechtbank wijst verder het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 17 januari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Hoge Raad 4 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:42 en Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712.