Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 28 februari 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering per 5 november 2022 door het UWV, omdat hij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van medische rapporten en een arbeidskundig onderzoek.
Medisch onderzoek door een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) concludeerde dat eiser beperkingen heeft, maar niet zodanig dat hij volledig arbeidsongeschikt is. De beperkingen betreffen onder meer buigen, tillen, dragen, lopen en noodzaak tot toilettoegang, maar deze zijn volgens de artsen juist vastgesteld. Eiser voerde aan dat hij zich niet gehoord voelde, dat zijn klachten ernstiger zijn, en dat hij meer beperkingen heeft, waaronder astmatische bronchitis en incontinentie, maar deze stellingen werden niet onderbouwd met objectieve medische gegevens.
De arbeidsdeskundige b&b stelde dat de functies Wikkelaar, Textielproductenmaker en Productiemedewerker industrie geschikt zijn voor eiser, ondanks zijn beperkingen. Eiser betwistte dit, maar de rechtbank vond geen aanleiding om aan te nemen dat de functies ongeschikt zijn.
Op basis van de vastgestelde functies en beperkingen concludeerde het UWV dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waardoor het recht op ZW-uitkering vervalt. De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is, het griffierecht niet wordt teruggegeven en dat eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard.