Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd wegens rechts inhalen op de Rijksweg A16 te Breda op 14 juni 2022. Betrokkene voerde aan dat hij alleen rechts had ingehaald op plekken waar dat was toegestaan en dat de gedraging niet had plaatsgevonden zoals gesteld. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelt dat uit de verklaring van de verbalisant voldoende blijkt dat de gedraging heeft plaatsgevonden, namelijk rechts inhalen op een plek waar dat verboden was. Hoewel onduidelijk was of betrokkene op de uitvoegstrook reed, is vastgesteld dat betrokkene na het inhalen terugkeerde naar de linkerrijbaan, waardoor het inhalen onrechtmatig was.
De kantonrechter constateert dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, aangezien de boete op 23 juni 2022 werd opgelegd en de procedure tot 3 december 2024 heeft geduurd, meer dan twee jaar. Daarom wordt de boete met 25% gematigd. Tevens wordt een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten in de fase van overschrijding van de redelijke termijn.
De officier van justitie wordt opgedragen het te veel betaalde bedrag terug te betalen. De beslissing van de officier van justitie wordt gewijzigd en de boete gematigd tot € 187,50 plus administratiekosten. Het beroep wordt daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: De boete wordt gematigd met 25% vanwege overschrijding van de redelijke termijn, met een proceskostenvergoeding toegekend.