Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het niet verlenen van voorrang op een voorrangweg te Vlissingen op 20 april 2022. Betrokkene stelde dat de gedraging niet had plaatsgevonden omdat het verkeersbord niet zichtbaar was en dat de feitcode onjuist was. Ook werd aangevoerd dat ten onrechte geen staandehouding had plaatsgevonden.
De officier van justitie handhaafde de boete, stellende dat het bord wel aanwezig en zichtbaar was en dat er geen mogelijkheid tot staandehouding was. De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststond op basis van de verklaring van de verbalisant en dat de juiste feitcode was toegepast.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met meer dan vijf maanden was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de fase bij de kantonrechter. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen.
Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard, de boete met 25% gematigd en een proceskostenvergoeding toegekend.