Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens het niet op eerste vordering tonen van het kentekenbewijs op een spoorwegovergang in Rilland op 24 augustus 2022. Betrokkene betwistte de gedraging in algemene zin, maar gaf geen specifieke feiten die twijfel aan de verklaring van de verbalisant rechtvaardigen.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs vormt en de gedraging vaststaat. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor behandeling van de zaak met meer dan een maand was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd.
Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter en het indienen van het beroepschrift. De officier van justitie werd opgedragen het te veel betaalde bedrag aan betrokkene terug te betalen. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard, de boete is gematigd met 25% en een proceskostenvergoeding is toegekend.