ECLI:NL:RBZWB:2024:8448
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en schending artikel 40 Wet WOZ
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gesteld op €333.000 per 1 januari 2022, en voerde aan dat de waarde maximaal €317.000 zou moeten zijn. Tevens stelde hij dat de heffingsambtenaar ten onrechte niet alle gevraagde gegevens, zoals KOUDV-factoren en indexeringspercentages, had verstrekt, wat een schending van artikel 40 van Pro de Wet WOZ zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat de indexeringspercentages niet onder de toezendplicht van artikel 40 vallen Pro, maar dat de KOUDV-factoren wel verstrekt hadden moeten worden. Hoewel de heffingsambtenaar dit in de bezwaarprocedure niet deed, is dit in beroep hersteld, waardoor belanghebbende niet langer benadeeld is. De rechtbank past artikel 6:22 Awb Pro toe en ziet geen aanleiding voor proceskostenvergoeding of griffierecht.
De waarde is vastgesteld met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen zijn vergeleken en rekening is gehouden met verschillen zoals de ligging. De heffingsambtenaar heeft de gebruikte indexering en KOUDV-factoren voldoende inzichtelijk gemaakt en toegelicht. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn onderbouwing en concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd op €333.000.