ECLI:NL:RBZWB:2024:766

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 februari 2024
Publicatiedatum
8 februari 2024
Zaaknummer
22_4069
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep inkomstenbelasting 2015

Belanghebbende had beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2015, maar de rechtbank had dit beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het beroepschrift. Belanghebbende stelde dat het beroepschrift wel tijdig was verzonden en overlegde een urenregistratie ter onderbouwing.

De rechtbank beoordeelde het verzet uitsluitend op de vraag of het buiten redelijke twijfel stond dat het beroep niet-ontvankelijk was. Gezien de stellingen en stukken van belanghebbende achtte de rechtbank dit niet het geval en verklaarde het verzet gegrond. Daarmee verviel de eerdere buiten-zittinguitspraak en werd het onderzoek hervat in de stand van voor die uitspraak.

De rechtbank wees erop dat ook na hervatting het eindoordeel nog kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is. Tevens veroordeelde de rechtbank de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, gesteld op € 875 voor rechtsbijstand bij het verzet.

De uitspraak is gedaan door rechter M.H. van Schaik en griffier P. van der Hoeven op 9 februari 2024 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten van € 875.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4069

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2024 op het verzet van

mr. [belanghebbende] , te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. T.T.H.J.M. Smits),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 maart 2023 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 14 maart 2023 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet tijdig indienen van het beroepschrift.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 27 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en de gemachtigde van belanghebbende. Ter zitting is bepaald dat gemachtigde in de gelegenheid wordt gesteld om binnen twee weken aanvullende stukken in te dienen. Gemachtigde heeft nadere stukken ingediend, waarop door de inspecteur is gereageerd.
1.2.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een uitspraak aangekondigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 14 maart 2023 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van belanghebbende
4. Het beroep van belanghebbende gaat over de uitspraak op bezwaar van 7 juli 2022 betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2015 met [aanslagnummer] H.56.01.
De uitspraak van 14 maart 2023
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend en de aangevoerde omstandigheden de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken.

Beoordeling verzetsgronden

6. Belanghebbende heeft gesteld het beroepschrift op 17 augustus 2022 per post aan de rechtbank te hebben verzonden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft belanghebbende een urenregistratie overgelegd, waarop staat dat op 17 augustus 2022 uren zijn geboekt op het cliëntnummer van belanghebbende met de omschrijving “
opstellen en verzenden pro forma beroepschrift”.
6.1.
Gelet op de door belanghebbende ingenomen stelling over de datum van indiening van het beroepschrift en de daarbij overgelegde stukken acht de rechtbank niet buiten redelijke twijfel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Daarbij heeft de rechtbank mede acht geslagen op de recente arresten van het College van Beroep voor het bedrijfsleven [1] . De rechtbank acht het verzet gegrond.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzet is gegrond. Dit betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. Als voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na de hervatting van het onderzoek het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.
8. De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzet redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zien op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en worden gesteld op € 875 (0,5 punt voor het verzetschrift en 0,5 punt voor de verzetzitting, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het verzet van belanghebbende tot een bedrag van € 875.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 9 februari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten