Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
€ 437,50
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het parkeren op een plaats bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen in de Dorpsstraat te Halsteren op 6 september 2022. Betrokkene betwistte dat sprake was van parkeren en stelde dat hij bezig was met het laden en lossen van een pakket. De verbalisant verklaarde echter dat er gedurende vier minuten geen activiteit bij het voertuig was waargenomen, waardoor de boete terecht werd opgelegd.
De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant voldoende bewijs is voor het verrichten van de gedraging. Er waren geen specifieke feiten of omstandigheden die twijfel aan deze verklaring rechtvaardigden. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de afhandeling van de zaak met bijna een maand was overschreden, waardoor de boete met 25% werd gematigd.
Daarnaast werd een proceskostenvergoeding van €875,00 toegekend aan betrokkene voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De kantonrechter wees het verzoek af om de proceskostenvergoeding rechtstreeks aan de gemachtigde uit te betalen, omdat de wet sinds 1 januari 2024 bepaalt dat deze vergoeding alleen aan de betrokkene mag worden uitgekeerd.
De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd, de boete werd gematigd tot €75,- plus €9 administratiekosten, en het teveel betaalde bedrag van €25,- werd terugbetaald aan betrokkene.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, boete gematigd met 25% wegens overschrijding redelijke termijn.