ECLI:NL:RBZWB:2024:6937
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belanghebbende heeft recht op ouderenkorting bij niet-kwalificerende buitenlandse belastingplicht
Belanghebbende woonde in 2021 deels in Nederland en deels in Frankrijk en was in de buitenlandse periode niet kwalificerend buitenlands belastingplichtige. De inspecteur had de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen vastgesteld zonder toepassing van ouderenkorting, uitgaande van het totale inkomen uit Nederlandse bron over het gehele jaar.
Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de ouderenkorting moet worden berekend over het binnenlands belastbare inkomen, namelijk het deel van het inkomen dat in de binnenlandse periode is genoten. De rechtbank verwijst naar een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 22 maart 2024 en een eerdere uitspraak van dezelfde rechtbank van 30 mei 2024.
De rechtbank volgt het standpunt van belanghebbende en oordeelt dat het verzamelinkomen voor de ouderenkorting moet worden beperkt tot het binnenlands belastbare inkomen. Hierdoor heeft belanghebbende recht op een ouderenkorting van €427, die moet worden toegepast op de aanslag. De aanslag wordt dienovereenkomstig verminderd en de inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Belanghebbende krijgt recht op ouderenkorting van €427 en aanslag wordt dienovereenkomstig verminderd.