ECLI:NL:RBZWB:2024:6659
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonbelastingheffing over volledige AOW-uitkeringen van inwoner Zwitserland
Belanghebbende, woonachtig in Zwitserland, maakte bezwaar tegen de inhouding van loonbelasting over zijn AOW-uitkeringen in januari en februari 2021. Hij stelde dat de belasting onterecht werd geheven over het deel van de AOW dat was opgebouwd zonder fiscale faciliering, omdat hij voor vrijwillig betaalde premies geen fiscale tegemoetkoming had genoten.
De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van het gewijzigde belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland per 30 november 2020, waarin Nederland het heffingsrecht kreeg tot maximaal 15% over AOW-uitkeringen. De rechtbank paste de uitlegregels van het Verdrag van Wenen toe en concludeerde dat volgens de tekst van artikel 18 van Pro het verdrag het heffingsrecht over socialezekerheidsuitkeringen, waaronder AOW, niet afhankelijk is van fiscale faciliering.
De toelichting bij het wijzigingsprotocol bood geen aanwijzingen voor een afwijkende interpretatie. De rechtbank oordeelde daarom dat de loonbelasting terecht is ingehouden over het volledige bedrag van de AOW-uitkeringen, inclusief het deel zonder fiscale faciliering.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor belanghebbende de ingehouden loonbelasting niet terugkrijgt en ook geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de inhouding van 15% loonbelasting over het volledige bedrag aan AOW-uitkeringen.