ECLI:NL:RBZWB:2024:6271
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen besluit geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen
Belanghebbende verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting 2020. Omdat de inspecteur niet tijdig op dit verzoek besliste, stelde belanghebbende de inspecteur in gebreke en verzocht om vaststelling van een dwangsom. De inspecteur stelde vast dat geen dwangsom was verbeurd en belanghebbende maakte hiertegen bezwaar. Op het bezwaar werd niet tijdig beslist, waarna belanghebbende opnieuw een dwangsom verzocht. De inspecteur verklaarde het bezwaar gegrond en stelde een dwangsom vast voor het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering, maar niet voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar zelf.
Belanghebbende richtte beroep tegen het besluit geen dwangsom toe te kennen voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling niet geldt als een aanvraag in de zin van de Awb en dat de inspecteur daarom geen dwangsom kan verbeuren voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het dwangsombesluit. Dit volgt uit recente jurisprudentie van de Hoge Raad en vaste rechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst terugbetaling van griffierecht en proceskosten af, en bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op een dwangsom voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het dwangsombesluit.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen dwangsom toegekend voor het niet tijdig beslissen op bezwaar.