Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het rijden op een niet-rijbaan op 20 juni 2022 te Tilburg. Tegen deze boete stelde betrokkene beroep in bij de officier van justitie, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de kantonrechter.
De officier van justitie had echter op 20 juli 2022 besloten de boete te vernietigen, ruim vóór de indiening van het beroepschrift bij de kantonrechter op 2 augustus 2022. De rechtbank oordeelde dat de vernietiging van de boete aan betrokkene bekend is gemaakt, mede gelet op het zorgvuldig verzendproces van het CJIB. Hierdoor ontbrak het procesbelang voor verdere behandeling van het beroep.
De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat de bekendmaking van de vernietiging niet was aangetoond en verwees naar een eerdere uitspraak waarin proceskostenvergoeding werd toegekend. De rechtbank vond echter onvoldoende bewijs dat de brief niet was verzonden en volgde de jurisprudentie dat het verzendproces betrouwbaar is.
Daarom verklaarde de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk en kon het beroep inhoudelijk niet worden beoordeeld. Betrokkene kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.