ECLI:NL:RBZWB:2024:527
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Eiseres, werkgever van een werkneemster die sinds januari 2020 ziek was, kreeg van het UWV een loonsanctie opgelegd wegens het niet voldoen aan re-integratieverplichtingen. De werkneemster had een WIA-uitkering aangevraagd, maar de behandeling daarvan werd uitgesteld vanwege de loonsanctie.
De bedrijfsarts had beperkingen vastgesteld, maar de verzekeringsarts en arbeidsdeskundigen van het UWV concludeerden dat de werkneemster vanaf juli 2021 niet meer beperkt was in doelmatig en zelfstandig handelen en enige werkdruk aankon. De arbeidsdeskundige van eiseres baseerde zich op de beperkingen van de bedrijfsarts, wat volgens het UWV onjuist was, waardoor de re-integratie-inspanningen niet adequaat waren.
De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht de loonsanctie heeft opgelegd. De verzekeringsartsen hebben de medische situatie zorgvuldig beoordeeld en er is geen reden om aan te nemen dat zij onvoldoende rekening hebben gehouden met de aandoeningen van de werkneemster. De werkgever kan niet afgaan op onjuiste adviezen van de bedrijfsarts zonder eigen verantwoordelijkheid te nemen voor de re-integratie.
Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en er is geen recht op vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 24 januari 2024.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de loonsanctie is ongegrond verklaard en de loonsanctie blijft gehandhaafd.