ECLI:NL:RBZWB:2024:5067
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over TOZO-1-uitkering bij gezamenlijke huishouding
Belanghebbende werkte in 2020 in loondienst bij de politie, terwijl zijn fiscaal partner een eenmanszaak dreef en een TOZO-1-uitkering ontving. De inspecteur legde een aanslag IB/PVV op waarbij de TOZO-1-uitkering voor de helft bij belanghebbende werd belast. Belanghebbende betwistte dit, stellende dat hij geen recht had op de uitkering en deze niet had ontvangen.
De rechtbank beoordeelde of belanghebbende als mede-rechthebbende kon worden aangemerkt op grond van de Participatiewet en de TOZO-1-regeling. Gezien het gezamenlijke huishouding en de uitvoering van de regeling concludeerde de rechtbank dat het recht op bijstand gezamenlijk toekomt aan echtgenoten, ook als een van hen geen recht op bijstand heeft volgens een strikte lezing.
Vervolgens werd vastgesteld dat de TOZO-1-uitkering een periodieke uitkering is volgens de Wet IB 2001, omdat er meerdere betalingen over een periode zijn gedaan. De betaling aan de partner wordt mede geacht te zijn genoten door belanghebbende. Daarom is de aanslag inclusief de helft van de uitkering terecht opgelegd.
De rechtbank wees het beroep af, bevestigde de aanslag en wees proceskostenvergoeding af. De uitspraak is openbaar en kan in hoger beroep worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2020 is terecht vastgesteld inclusief de helft van de TOZO-1-uitkering, het beroep wordt ongegrond verklaard.