Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 en stelde beroep in wegens het niet tijdig beslissen op dat bezwaar. De inspecteur heeft later alsnog op het bezwaar beslist, waarna de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank oordeelde dat de aanslag niet te hoog was vastgesteld, mede omdat belanghebbende slechts eigenwoningforfait over zijn hoofdverblijf had berekend en de leegstaande woning te koop stond.
Belanghebbende had een verzoek ingediend om een dwangsom wegens de overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank kende een dwangsom toe van €1.442, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 december 2021. De inspecteur voerde misbruik van procesrecht aan, maar dit werd door de rechtbank verworpen omdat de ingebrekestelling rechtsgeldig was ingediend.
Daarnaast werd belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase. Ook werd proceskostenvergoeding en griffierecht toegekend. De rechtbank wees het beroep tegen de aanslag voor het overige af en bepaalde dat de wettelijke rente over de vergoedingen gaat lopen indien niet binnen vier weken wordt betaald.