Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €470.000 en na bezwaar verlaagd tot €453.000. De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat noch de heffingsambtenaar noch belanghebbende de door hen voorgestelde waarden aannemelijk hadden gemaakt.
De rechtbank stelde de waarde schattenderwijs vast op €424.000. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep was overschreden met ongeveer 11 maanden, waarop een immateriële schadevergoeding werd toegekend van in totaal €100, verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de minister.
Daarnaast werd belanghebbende een proceskostenvergoeding van €2.006,52 toegekend, inclusief een vergoeding voor het ingebrachte taxatierapport. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot het betalen van het griffierecht en de proceskostenvergoeding. De uitspraak vernietigde de eerdere uitspraak op bezwaar, behoudens de kostenvergoeding van de bezwaarfase.