Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
7.1 Dat de definitieve tegemoetkoming voor eiseres lager uitvalt dan het voorschot wordt in de eerste plaats veroorzaakt door het feit dat eiseres feitelijk een lager omzetverlies had in de subsidieperiode (38%) dan zij bij het voorschot had ingeschat (45%). Deze lagere vaststelling volgt uit het eerste lid van artikel 8, van de Now-2. Over de berekening die volgt uit het eerste lid hebben partijen op zich geen geschil. [1] Wel heeft eiseres ter zitting de opslagfactor 1,4 betwist.
7.2 De lagere tegemoetkoming wordt in de tweede plaats veroorzaakt door de toepassing van het vijfde lid van artikel 8 van Pro de Now-2. Partijen zijn verdeeld over de vraag of er sprake is van een verlaagde loonsom zoals bedoeld in dat lid, en zo ja welke gegevens gebruikt moeten worden voor de berekening van het vijfde lid.
Opslagfactor
15. Om te beoordelen of in de referentiemaand maart 2020 op een andere manier de loonsom is berekend dan in de subsidieperiode heeft de rechtbank ook de loonsommen over de maand maart 2020 bekeken. Voor de maand maart 2020 komt de berekening dan, op één uitzondering na, overeen met de opgave van de belastingdienst. Als voorbeeld noemt de rechtbank het loon van mevrouw [naam 4] . Op de aangifte van eiseres staat een sv-loon van € 74,69 en uitbetaling vakantiebijslag van € 5,53 Als de vakantiebijslag eruit wordt gehaald is het loon € 69,16. Dat komt overeen met de uitdraai van de belastingdienst. Verder blijkt dat bij de medewerkers waar geen vakantiebijslag is uitbetaald, ook geen correctie heeft plaatsgevonden. Alleen het loon van mevrouw [naam 5] komt niet geheel overeen met de uitdraai van de belastingdienst. Dit kleine verschil is echter onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van die opgave. Mogelijk dat er nog een correctie op het loon heeft plaatsgevonden, zoals ook door eiseres zelf is aangegeven in haar begeleidend schrijven bij de aangifte loonheffingen. Eiseres wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat de berekening van de loonsom over de maand maart 2020 anders heeft plaatsgevonden dan de berekening van de loonsommen in de subsidieperiode.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 365,-- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.750,-- aan proceskosten aan eiseres.