Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 4 juni 2024 van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[betrokkene] ,betrokkene,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene, een persoon met een verstandelijke handicap en epilepsie, ontving vanaf 2016 een persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor beëindigde het pgb per 1 april 2023 en herzag de budgetten over 2016-2022, met een terugvordering van €74.875,91 voor 2020-2022 na gedeeltelijke goedkeuring van eerdere jaren.
Eiseres, bewindvoerder en gewaarborgde hulp, voerde aan dat de zorgverlener wel degelijk zorg had verleend en dat het zorgkantoor onterecht het pgb beëindigde en terugvorderde, mede omdat de verklaringen van de zorgverlener onbetrouwbaar zouden zijn door vroege dementie. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek van het zorgkantoor zorgvuldig was, inclusief hoor en wederhoor, en dat de verklaringen van de zorgverlener betrouwbaar waren.
De rechtbank stelde vast dat de pgb-verplichtingen waren geschonden, onder meer door onduidelijkheid over wie zorg verleende en het niet aanpassen van zorgovereenkomsten. Het zorgkantoor had een redelijke belangenafweging gemaakt en een redelijke termijn gegeven voor alternatieve zorg. De proceskostenvergoeding was correct vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging en terugvordering van het pgb wordt bevestigd.