ECLI:NL:RBZWB:2024:380

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2024
Publicatiedatum
25 januari 2024
Zaaknummer
AWB- 23_10973 VV en AWB- 23_10798
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:47 AwbArt. 8:86 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

In stand laten omgevingsvergunning voor bouw schuur ondanks bezwaar over beeldkwaliteit

Verzoekers maakten bezwaar tegen een omgevingsvergunning die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele was verleend voor de bouw van een schuur op een perceel met woonbestemming. Zij stelden dat de schuur niet voldeed aan de beeldkwaliteitscriteria van het bestemmingsplan, met name dat de schuur niet ondergeschikt zou zijn aan de woning en dat het kleur- en materiaalgebruik niet passend zou zijn.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het bestemmingsplan geen definitie gaf van 'ondergeschikt', maar dat dit begrip volgens het spraakgebruik moet worden uitgelegd als minder belangrijk of bijkomstig. Het college had advies ingewonnen bij de dorpsbouwmeester, die oordeelde dat de schuur qua vorm, plaatsing en materiaalgebruik passend en ondergeschikt was aan de woning. Verzoekers brachten contra-adviezen in, maar de voorzieningenrechter vond de adviezen van de dorpsbouwmeester voldoende zorgvuldig en evenwichtig.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college het besluit op goede gronden in stand had gelaten en dat de schuur binnen de toegestane omvang viel. Het verzoek om een deskundige te benoemen werd afgewezen omdat de voorzieningenrechter zelf over de uitleg van het begrip 'ondergeschikt' kan oordelen en er geen aanwijzingen waren voor formele of materiële gebreken in het besluit.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Verzoekers kregen geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak werd gedaan door mr. S. Hindriks op 26 januari 2024.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor de vergunning in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 23/10973 en 23/10798
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2024 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoeker] en [naam verzoekster], uit [woonplaats verzoekers], verzoekers,

(gemachtigde: mr. drs. C.R. Jansen),
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele, college,

(gemachtigde: [naam gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam vergunninghouder] uit [woonplaats vergunninghouder], vergunninghouder,
(gemachtigde: mr. A.P. Cornelissen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekers om een voorlopige voorziening tegen een door het college op 16 februari 2023 verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een schuur op het perceel gelegen aan [adres perceel] te [plaats perceel] (perceel). Verzoekers hebben in bezwaar een voorlopige voorziening aangevraagd. De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 26 april 2023 het besluit van 16 februari 2023 geschorst.
1.1.
Het college heeft in het bestreden besluit van 10 oktober 2023 op het bezwaar van verzoekers de verleende omgevingsvergunning – met een aangepaste motivering – in stand gelaten. Verzoekers hebben in beroep wederom een voorlopige voorziening aangevraagd. Het college heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam verzoekster], de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghouder.
1.3
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekers tegen het bestreden besluit. Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Omvang van het geschil
2. De voorzieningenrechter beoordeelt of het college op goede gronden de in overweging 1. omschreven omgevingsvergunning in stand heeft gelaten en of er aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van verzoekers.
Het beroep en de voorlopige voorziening
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het beroep ongegrond te worden verklaard en is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
De voor de beoordeling van beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet leidt de voorzieningenrechter af dat het oude recht van toepassing blijft op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend.
4. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Vergunninghouder heeft op 27 december 2022 bij het college een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een schuur op het perceel. Het geldende bestemmingsplan is het ‘[naam bestemmingsplan]’ (bestemmingsplan) en het perceel heeft in het bestemmingsplan de bestemming ‘Wonen’ [1] . Het college heeft de aanvraag op 3 januari 2023 gepubliceerd in het gemeenteblad, de omgevingsvergunning is op 6 februari 2023 verleend en de verleende vergunning is op 22 februari 2023 gepubliceerd. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning en tevens een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. In de uitspraak van 26 april 2023 [2] heeft de voorzieningenrechter het besluit van 6 februari 2023 geschorst. In het bestreden besluit heeft het college – met een aanvullende motivering – de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten.
Heeft het college op goede gronden de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten?
5. Verzoekers voeren tegen het bestreden besluit aan dat de schuur niet voldoet aan artikel 98.4, sub a en c, van het bestemmingsplan, omdat de te bouwen schuur niet ondergeschikt is aan de woning en de uitstraling van de schuur en de materiaaltoepassingen niet passen bij de woning en de omgeving. Daarmee voldoet het bouwplan niet aan de gestelde beeldkwaliteitscriteria. Ook stellen verzoekers dat hun woonomgeving op onaanvaardbare en onevenredige wijze zal worden aangetast en dat zij ernstige hinder van de schuur zullen ondervinden. Verzoekers verzoeken de voorzieningenrechter om een deskundige te benoemen voor wat betreft de beeldkwaliteit en in het bijzonder de uitleg van het begrip ‘ondergeschiktheid’.
5.1
Het college stelt dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat een welstandstoets die bouwmogelijkheden niet mag beperken.
5.2
Partijen zijn het erover eens dat de afmetingen van de schuur niet in strijd zijn met het bestemmingsplan, dat op het perceel een bijbehorend bouwwerk mag worden geplaatst en dat de schuur als een bijbehorend bouwwerk gekwalificeerd moet worden.
5.3
Bij de beoordeling van een aangevraagde omgevingsvergunning geldt het zogenaamde ‘limitatief-imperatieve’ stelsel van weigeringsgronden van een dergelijke aanvraag. Dat betekent dat het college de door vergunninghouder aangevraagde omgevingsvergunning alleen mag weigeren op basis van een in de Wabo hiervoor opgenomen grond. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers ter zitting aangegeven hebben dat de beroepsgronden over de aantasting van de woonomgeving en hinder niet onder de betreffende weigeringsgronden vallen. De verleende omgevingsvergunning kan niet op basis van deze gronden aangetast worden. Dan resteert slechts de beroepsgrond dat de vergunde activiteit in strijd is met het bestemmingsplan [3] .
5.4
In artikel 64, sub b, van het bestemmingsplan is bepaald dat bebouwing moet voldoen aan de regels voor een goede beeldkwaliteit, zoals uitgewerkt in artikel 90 en Pro verder van het bestemmingsplan. In deze procedure gaat het om de bouw van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een woning. De relevante regels voor de beeldkwaliteit zijn opgenomen in artikel 98.4 van het bestemmingsplan. Verzoekers stellen specifiek dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met artikel 98.4, sub a en sub c, van het bestemmingsplan. Sub a bepaalt dat het vrijstaande bijbehorende bouwwerk ondergeschikt moet zijn aan en in samenhang met de woning ontworpen dient te zijn. Sub c bepaalt dat het kleur- en materiaalgebruik van het vrijstaande bijbehorende bouwwerk wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het bestemmingsplan geen definitie van het begrip ‘ondergeschikt’ uit artikel 98.4, sub a, van het bestemmingsplan is opgenomen. Volgens vaste rechtspraak dient dit begrip dan te worden uitgelegd aan de hand van de betekenis in het spraakgebruik, waarbij aangesloten kan worden bij het woordenboek Van Dale [4] . Volgens de Van Dale betekent ‘ondergeschikt’ van iemand afhankelijk, lager in rang, van weinig belang. Vertaald naar een bouwwerk betekent dit dus minder belangrijk of bijkomstig.
5.5
Verzoekers benadrukken, voor wat betreft sub a, de omvang van de beoogde schuur in relatie tot de omvang van de woning. Het college verwijst naar de adviezen van de dorpsbouwmeester. In de eerdere voorlopige voorziening procedure in bezwaar heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat het college weliswaar advies van de dorpsbouwmeester heeft ingewonnen, maar dat in de toen bekende adviezen niet expliciet werd ingegaan op de vraag of het bouwplan voor de schuur past in de regels voor een goede beeldkwaliteit. Ook was er geen advies over de vraag of het bouwplan ondergeschikt is aan en in samenhang met de woning is ontworpen.
Na de getroffen voorlopige voorziening in bezwaar heeft de dorpsbouwmeester op 19 juni 2023 een aanvullend advies over de schuur in relatie tot de regels van een goede beeldkwaliteit uitgebracht. De dorpsbouwmeester heeft aangegeven dat de voor de schuur gekozen volumeopzet een traditionele enkelvoudige hoofdvorm heeft en dergelijke vrijstaande bijbehorende bouwwerken komen in de omgeving meer voor. De schuur is opgezet als een verwijzing naar de Zeeuwse boerenschuren die veel in de omgeving voorkomen. Door de vorm van het perceel, de situering van de woning op het perceel en de beschikbare ruimte voor de schuur acht de dorpsbouwmeester de gewenste plaatsing aan de noordzijde van het perceel – met de nokrichting haaks op de woning en [adres perceel] een logische keuze. De schuur, met een lagere goothoogte dan de woning, wordt zodanig gepositioneerd dat deze ruim achter de achtergevels van de woning op het perceel en de woning op het perceel van [adres perceel] ligt. De woningen blijven hierdoor qua ordening voldoende prominent aanwezig en de positionering maakt de schuur hieraan ondergeschikt. Verder wordt de schuur uitgevoerd in minder edel materiaal dan de woning en is het kleurgebruik van de gevels en het dak niet prominent. De samenhang van de woning en de schuur wordt benadrukt door de rechthoekige plattegrond en het zadeldak.
Verzoekers hebben twee contra-adviezen van architect [naam architect] ingebracht, waaronder een advies van 14 juli 2023. Hierin stelt [naam architect] dat de verhouding tussen de lengte en de breedte van de schuur ervoor zorgt dat de schuur een te grofschalige verschijningsvorm krijgt ten opzichte van de woningen, dat door de hellingshoek van 45 graden de nokhoogte van de schuur in ieder geval die van de woning van [adres perceel] overschrijdt en dat de materiaalkeuze contrasteert met de woning op het perceel. Hierop heeft de dorpsbouwmeester in het aanvullende advies van 14 augustus 2023 gereageerd en aangegeven dat op het perceel sprake is van een duidelijke hiërarchie tussen de hoofd- en bijmassa en dat de afmetingen van de geplande schuur in overeenstemming zijn met de karakteristieken van de schuurtypologie in de omgeving en in het gebied. Er is sprake van een evenwichtige verhouding van het ensemble.
5.6
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in het bestreden besluit de adviezen van de dorpsbouwmeester in redelijkheid aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Zij kan het college volgen in de overwegingen dat het kleur- en materiaalgebruik van de geplande schuur in voldoende mate is afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning. De beroepsgronden, die zien op strijd met artikel 98.4, sub c, van het bestemmingsplan, slagen dan ook niet. Voor wat betreft de gestelde strijd met artikel 98.4, sub a, van het bestemmingsplan doet de door verzoekers benadrukte omvang van de geplande schuur niet af aan het gegeven dat het bestemmingsplan de betreffende omvang gewoon toestaat. De omvang van de schuur is inderdaad een onderdeel van de beoordeling van de ondergeschiktheid, maar niet het enige gezichtspunt. Volgens de voorzieningenrechter is het, vanuit die optiek, niet logisch om via de beoordeling van de beeldkwaliteit alsnog de omvang van de geplande schuur te beperken. Bovendien staan in het betreffende gebied bij veel huizen schuren met een grotere omvang dan de betreffende woningen. Verzoekers hebben ter zitting hierover opgemerkt dat een en ander terug te voeren is op de agrarische bestemming van die percelen, maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt dat geen verschil voor de beeldkwaliteit. De voorzieningenrechter kan – alles afwegende – het college dan ook volgen in de overweging dat de schuur ondergeschikt is aan de woning en daarmee in samenhang is ontworpen, zodat voldaan wordt aan de eisen van een goede beeldkwaliteit. Van een grond om de omgevingsvergunning te weigeren is dus geen sprake.
5.7
Voor wat betreft het verzoek van verzoekers om een deskundige te benoemen die specifiek moet ingaan op het begrip ‘ondergeschiktheid’ geldt dat de benoeming van een deskundige een discretionaire bevoegdheid van de bestuursrechter is [5] . Inschakeling van een deskundige ligt met name in de rede als het college zijn onderzoekplicht heeft verzuimd. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 30 juni 2017 [6] heeft de AbRS overwogen dat het de taak van de bestuursrechter is om zo nodig compensatie te bieden in de vorm van benoeming van een deskundige door de bestuursrechter, als een partij niet in een gelijke positie verkeert ten opzichte van de wederpartij. Het stappenplan bestaat uit drie stappen: 1) de zorgvuldigheid van de besluitvorming, 2) de beoordeling van de equality of arms en 3) de inhoudelijke motivering. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de aanvullende adviezen van de dorpsbouwmeester van 19 juni 2023 en 14 augustus 2023 voldoende zorgvuldig en toegespitst op de kwesties over de ondergeschiktheid en de kleur- en het materiaalgebruik van de te bouwen schuur (1). Verzoekers en het college beschikten naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook over voldoende en gelijke middelen. Zo hebben beide partijen een adviseur ingeschakeld, is er in de adviezen over en weer op elkaars advies ingegaan, verzoekers hebben alle gelegenheid gehad om alle gewenste gronden in te dienen en zij zijn ook gehoord (2). Tot slot ziet de voorzieningenrechter in (de motivering van) het bestreden besluit geen aanknopingspunten dat het bestreden besluit zodanige formele en/of materiele gebreken bevat dat hierom de benoeming van een deskundige gerechtvaardigd is (3). Het gaat uiteindelijk om de uitleg van het begrip ‘ondergeschikt’ en daarover kan de voorzieningenrechter zelf oordelen. Het verzoek om de benoeming van een deskundige wijst zij dan ook af.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Er bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekers krijgen daarom ook het griffierecht niet terug en zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 26 januari 2024 door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 8:47, eerste lid:
1. De bestuursrechter kan een deskundige benomen voor het instellen van een onderzoek.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.1, eerste lid, sub a:
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
Artikel 2.10, eerste lid, sub c:
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…), tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
Bestemmingsplan [naam bestemmingsplan] (bestemmingsplan)
Artikel 64, sub b:
Voor de toelaatbare bebouwing ten behoeve van de indicatief begrensde functie
Woneninclusief de medegebruiksfuncties, geldt het volgende:
b. bebouwing voldoet aan de regels voor een goede beeldkwaliteit zoals uitgewerkt in ‘6. Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit’;
Artikel 98.4, sub a en c:
Voor een goede beeldkwaliteit van een woning gelden de volgende regels voor de aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken:
a. Aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen ondergeschikt te zijn en in samenhang met de woning ontworpen te worden.
c. Het kleur- en materiaalgebruik van aan- of uitgebouwde en vrijstaande bijbehorende bouwwerken wordt afgestemd op het kleur- en materiaalgebruik van de woning.
Artikel 135.1, sub a en b:
a. Burgemeester en wethouders winnen advies in bij een deskundige op het gebied van beeldkwaliteit met betrekking tot de vraag of het bouwplan in voldoende mate voldoet aan de in '
6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit' opgenomen regels voor een goede beeldkwaliteit.
b. De deskundige baseert zijn advies slechts op de regels zoals deze zijn opgenomen in '
6 Op deze locatie gelden regels voor een goede beeldkwaliteit'. De adviezen van de deskundige zijn openbaar.

Voetnoten

1.Artikel 32 van Pro het bestemmingsplan.
2.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:2877.
3.Artikel 2.10, eerste lid, sub a, van de Wabo.
4.AbRS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2325 en AbRS 23 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1633.
5.Bijvoorbeeld AbRS 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2516.
6.AbRS 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674.