Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens het niet afsluiten en in stand houden van de vereiste verzekering voor een bromfiets op 28 december 2021. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat eerst door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd het beroep behandeld door de kantonrechter.
De kantonrechter stelde vast dat de gedraging waarvoor de boete werd opgelegd vaststaat en erkend wordt door betrokkene. De boete was terecht opgelegd. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, die maximaal twee jaar mag duren, met negen weken was overschreden. Op grond hiervan matigde de kantonrechter de boete met 25%.
Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter, omdat de overschrijding van de redelijke termijn aanleiding gaf tot matiging. De officier van justitie werd opgedragen het te veel betaalde bedrag als zekerheidstelling terug te betalen. De beslissing van de officier van justitie werd aldus gewijzigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond verklaard met matiging van de boete met 25% en toekenning van proceskostenvergoeding.