Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden in een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op de Houtmarkt in Breda op 29 juni 2021. Betrokkene voerde aan dat hij als koerier waardevolle spullen moest leveren en dat de vooraankondigingsborden niet correct waren geplaatst, waardoor sprake zou zijn van een fuik. De officier van justitie stelde dat de boete terecht was opgelegd en verzocht om matiging vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststaat op basis van de verklaring van de verbalisant en dat er voldoende vooraankondigingsborden aanwezig waren, waardoor geen sprake was van een fuik. Ook mocht de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd vanwege digitale handhaving zonder staandehouding.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van behandeling van de zaak met zeven maanden was overschreden. Daarom matigde de kantonrechter de boete met 25% en kende een proceskostenvergoeding toe voor de kantonfase. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen. Het beroep werd daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: Beroep gedeeltelijk gegrond, boete gematigd met 25% en proceskostenvergoeding toegekend.