ECLI:NL:RBZWB:2024:1386
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.J.G. Eijssen
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning te Breda
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres te Breda, welke door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €217.000 per 1 januari 2021. Hij stelde dat de waarde te hoog was en dat niet alle gevraagde informatie was verstrekt, zoals grondstaffel en indexeringscijfers.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de waardebepaling, onder meer door het verstrekken van een taxatierapport en verwijzing naar informatie op de website. Belanghebbende had geen aanvullende gegevens overlegd die de waardering konden weerleggen.
De waarde was vastgesteld met de vergelijkingsmethode aan de hand van referentiewoningen, waarbij de heffingsambtenaar rekening had gehouden met verschillen in oppervlakte, bergingen en voorzieningen. Belanghebbende voerde aan dat voorzieningen zoals keuken en badkamer verouderd waren, maar kon dit niet onderbouwen met bewijs zoals foto’s.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan en dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2022 gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €217.000 is ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.