Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2023:8803

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2023
Publicatiedatum
16 december 2023
Zaaknummer
18/8713
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:12 AwbWet Overige fiscale maatregelen 2008, artikel XXVI, leden 8 en 9
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing teruggaafverzoeken dividendbelasting buitenlandse beleggingsinstelling

Eiseres, een in Duitsland gevestigd beleggingsfonds, verzocht teruggaaf van ingehouden dividendbelasting over de boekjaren 2006 tot en met 2010. Deze verzoeken werden door de Belastingdienst afgewezen en de bezwaren ongegrond verklaard, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank overwoog dat eiseres niet voldeed aan de voorwaarden voor teruggaaf onder het oude fbi-regime en dat zij niet instemde met een vervangende betaling zoals voorgeschreven door de Hoge Raad. Voor de jaren vanaf 2008 is het regime van de afdrachtvermindering van toepassing, waarbij buitenlandse beleggingsfondsen geen recht op teruggaaf hebben volgens de Hoge Raad. Eiseres stelde dat dit een selectief voordeel voor binnenlandse fbi’s oplevert en daarmee verboden staatssteun is, maar de rechtbank verwierp dit standpunt vanwege het ontbreken van vergelijkbaarheid.

De rechtbank concludeerde dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen en dat er geen aanleiding is voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. Ook is geen recht op rentevergoeding of proceskostenveroordeling. De beroepen worden ongegrond verklaard.

Uitkomst: De beroepen van eiseres tegen de afwijzing van haar teruggaafverzoeken dividendbelasting worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 18/8713 t/m BRE 18/8717

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 december 2023 in de zaken tussen

[eiseres] , gevestigd te [plaats] (Duitsland), eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/ Kennis- en Expertisecentrum Buitenland, kantoor Heerlen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft de verzoeken van eiseres om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 afgewezen (de afwijzingen).
Eiseres is tegen de afwijzingen in bezwaar gegaan. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Met verweerder en de gemachtigde van eiseres, te weten [gemachtigde] , althans [b.v.] (de gemachtigde) zijn regiezittingen gehouden inzake dividendbelastingzaken van buitenlandse beleggingsfondsen. Dit vanwege het grote aantal procedures dat door de gemachtigde namens buitenlandse fondsen aanhangig is gemaakt. Processen-verbaal van die zittingen zijn eerder aan verweerder en de gemachtigde gestuurd.
Bij brief van 24 juni 2021 is de gemachtigde en verweerder bericht dat in de dividendbelastingzaken waarin de gemachtigde als gemachtigde optreedt en die eerder op regiezitting zijn geweest, de behandelend meervoudige kamer heeft besloten om, op grond van artikel 8:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, mr. Van Ginneken als rechter-commissaris (hierna: de rechter-commissaris) op te dragen het vooronderzoek te verrichten in die zaken.
De rechter-commissaris heeft bij brief van 8 juni 2022 de gemachtigde de gelegenheid gegeven zijn beroepen nader te motiveren en daarbij gemachtigde verzocht om te laten weten of eiseres instemt met het doen van een vervangende betaling, als bedoeld in onderdeel 5.4 van het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1674).
De rechtbank heeft op 20 december 2022 een nadere motivering van de beroepen van eiseres ontvangen.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2023 te Haarlem.
Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is een in Duitsland gevestigd beleggingsfonds. In de onderhavige jaren hield eiseres belangen in diverse in Nederland gevestigde vennootschappen. Aan eiseres zijn dividenden uitgekeerd waarover in Nederland dividendbelasting is ingehouden.
2. Eiseres is een ‘Publikum-Sondervermögen’ met meerdere participanten, opgericht naar het recht van Duitsland.
3. Eiseres heeft om teruggaaf van de volgende bedragen aan ingehouden dividendbelasting verzocht:
2006: € 7.445
2007: € 64.795
2008: € 44.785
2009: € 23.730
2010: € 13.580
Deze verzoeken zijn afgewezen.

Geschil4. In geschil is of de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Eiseres stelt, kort samengevat, met een beroep op het Unierecht, dat zij recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi). Verweerder betwist dat eiseres in aanmerking komt voor enige teruggaaf van dividendbelasting.

5. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Tijdigheid verzoeken 2006 en 2007
6. Verweerder heeft in de uitspraken op bezwaar het standpunt ingenomen dat de teruggaafverzoeken 2006 en 2007 buiten de geldende termijn zijn ingediend. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat hij in beroep dit standpunt laat vallen. De rechtbank ziet geen reden om anders te oordelen.
Dividendnota’s
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet alle nota’s heeft overgelegd voor 2007 en komt voor 2007 tot een bedrag van € 24.853 (in plaats van € 64.795) aan ingehouden dividendbelasting. Voor 2010 zijn volgens verweerder nota’s dubbel overgelegd en betreft het juiste bedrag aan ingehouden dividendbelasting € 12.670 in plaats van het door eiseres aangegeven bedrag van € 13.610.
8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat voor het jaar 2007 bij het verzoek teveel dividendbelasting is teruggevraagd en dat er sprake is van een bedrag van € 28.528 aan ingehouden dividendbelasting voor dit jaar. Verweerder heeft ter zitting aangegeven zich op het standpunt te stellen dat eiseres dit bedrag aan ingehouden belasting aannemelijk heeft gemaakt.
9. De rechtbank komt op andere gronden tot een ongegrondverklaring van de beroepen en zal daarom niet ingaan op dit geschilpunt voor het jaar 2010, en ook het verzoek van eiseres om aanhouding om het bedrag aan ingehouden dividendbelasting alsnog aannemelijk te maken op die grond afwijzen.
Teruggaafregeling (boekjaren 2006 en 2007)
10. Gezien het overgangsrecht van artikel XXVI, leden 8 en 9, van de wet Overige fiscale maatregelen 2008, is - kort gezegd - voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 het regime van de afdrachtvermindering van belang en is voor teruggaafverzoeken met betrekking tot boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2008 de voormalige teruggaafregeling voor fiscale beleggingsinstellingen relevant.
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de onderhavige teruggaafverzoeken terecht heeft afgewezen. In zijn arrest van 23 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1674) heeft de Hoge Raad met betrekking tot het oude regime geoordeeld dat aan beleggingsfondsen die niet in Nederland zijn gevestigd, maar die overigens wel voldoen aan de voorwaarden voor het fbi-regime, rechtsherstel kan worden geboden door het verlenen van een teruggaaf van ingehouden dividendbelasting, waarbij die teruggaaf dient te worden bepaald met inachtneming van een vervangende betaling. Eiseres heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet kenbaar gemaakt in te stemmen met een dergelijke vervangende betaling met betrekking tot onderhavige jaren. Reeds daarom bestaat geen recht op teruggaaf. De rechtbank ziet in wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om een andere wijze van rechtsherstel Unierechtelijk geboden te achten (vgl. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 januari 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:264). De klacht over de grondslag van de zogenoemde vervangende betaling behoeft geen bespreking, reeds omdat niet is ingestemd met het doen van een vervangende betaling.
Afdrachtsverminderingsregime (boekjaren 2008 tot en met 2010)
12. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2008, 2009 en 2010 terecht afgewezen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:506) beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet belemmerd wordt door de omstandigheid dat in het buitenland gevestigde beleggingsfondsen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. In wat eiseres heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Hoge Raad, ziet de rechtbank geen aanleiding om wel teruggaaf te verlenen of om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (EU).
Staatssteun
13. Eiseres heeft voorts het standpunt ingenomen dat de jurisprudentie van de Hoge Raad ertoe leidt dat geen enkel buitenlands beleggingsfonds in aanmerking komt voor een teruggaaf van dividendbelasting en dat de uitspraken van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en Rechtbank Zeeland-West-Brabant tot gevolg hebben dat geen enkel Duits fonds vergeleken kan worden met een Nederlandse fbi. Volgens eiseres behelst de jurisprudentie van de nationale rechters het geven van een selectief voordeel aan in Nederland gevestigde fbi’s en is dat in strijd met het staatssteunverbod. Eiseres neemt niet het standpunt in dat het fbi-regime als zodanig is aan te merken als een selectieve maatregel. Verweerder weerspreekt dat sprake is van verboden staatssteun.
14. De rechtbank oordeelt als volgt. Om te komen tot het oordeel dat er sprake is van een selectieve maatregel die leidt tot verboden staatssteun, moet sprake zijn van een groep die begunstigd wordt ten opzichte van een andere vergelijkbare groep. De rechtbank sluit aan bij het oordeel van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat het standpunt van eiseres verworpen moet worden, omdat het niet toekennen van een teruggaaf van dividendbelasting aan eiseres een gevolg is van de uitleg van de Unierechtelijke vrije-verkeersbepalingen, in het bijzonder het feit dat voor de toepassing van de wettelijke teruggaafregeling eiseres niet vergelijkbaar is met een binnenlandse fbi. Vanwege het ontbreken van vergelijkbaarheid kan geen sprake zijn van verboden staatssteun aan binnenlandse fbi’s (vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1277, r.o. 4.3 en 4.4). Overigens zou het volgen van eiseres’ stelling dat sprake is van verboden staatssteun aan binnenlandse fbi’s er niet toe leiden dat de ‘staatssteun’ zou moeten worden uitgebreid naar buitenlandse beleggingsfondsen. Een onderneming kan zich namelijk niet onttrekken aan de heffing van belasting met het argument dat een fiscale maatregel ten gunste van andere ondernemingen staatssteun vormt (zie HvJ 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:661, r.o. 21).
Slotsom
15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verzoeken van eiseres om teruggaaf van dividendbelasting terecht zijn afgewezen. De overige grieven kunnen niet tot een ander oordeel leiden en behoeven daarom niet behandeld te worden. Ook ziet de rechtbank bij de huidige stand van de jurisprudentie en de voorliggende rechtsvragen geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad of het Hof van Justitie van de Europese Unie.
16. Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft eiseres evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
17. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. A.A. Fase en
mr. S.K.A. Efstratiades, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2023.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).