ECLI:NL:RBZWB:2023:6170
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen kostenvergoeding parkeerbelasting na bezwaar ongegrond verklaard
Belanghebbende stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Breda over de kostenvergoeding in de bezwaarfase van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond was en deed uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.
De kern van het geschil betrof de vraag of de beroepstermijn correct was berekend, nu belanghebbende stelde dat de uitspraak op bezwaar pas later per e-mail was bekendgemaakt. De rechtbank ging uit van de stelling van belanghebbende vanwege het ontbreken van voldoende bewijs van tijdige bekendmaking door de heffingsambtenaar, waardoor het beroep tijdig was ingediend.
De inhoudelijke beoordeling richtte zich op de hoogte van de proceskostenvergoeding. De rechtbank stelde vast dat de bekendmaking van een besluit geen voorwaarde is voor de totstandkoming daarvan en dat het besluit in 2022 was genomen. Daarom was het tarief uit 2022 terecht toegepast, ondanks de latere bekendmaking in 2023.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen en openbaar gemaakt op 8 september 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de kostenvergoeding in de bezwaarfase is kennelijk ongegrond verklaard.