ECLI:NL:RBZWB:2023:6166
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen kostenvergoeding bezwaarfase naheffingsaanslag parkeerbelasting afgewezen
Belanghebbende stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Breda over de kostenvergoeding in de bezwaarfase van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De gemachtigde voerde aan dat de uitspraak op bezwaar pas later per e-mail was bekendgemaakt, waardoor de beroepstermijn later zou moeten starten.
De rechtbank oordeelde dat, gelet op het ontbreken van voldoende bewijs van de heffingsambtenaar dat de uitspraak eerder was bekendgemaakt, zij uitgaat van de stelling van belanghebbende dat de uitspraak pas op 10 januari 2023 bekend werd. Hierdoor was het beroep tijdig ingediend.
De kern van het geschil betrof de hoogte van de proceskostenvergoeding. Belanghebbende stelde dat vanwege de latere bekendmaking een onjuist tarief was toegepast. De rechtbank stelde echter vast dat bekendmaking geen voorwaarde is voor de totstandkoming van het besluit en dat het besluit in 2022 is genomen. Daarom was het tarief uit 2022 terecht toegepast.
De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en wees het af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de kostenvergoeding in de bezwaarfase van de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.