ECLI:NL:RBZWB:2023:6165
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen kostenvergoeding bezwaarfase naheffingsaanslag parkeerbelasting afgewezen
Belanghebbende stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Breda over de kostenvergoeding in de bezwaarfase van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De gemachtigde voerde aan dat de uitspraak op bezwaar pas in januari 2023 bekend was gemaakt, waardoor het tarief voor de kostenvergoeding onjuist zou zijn toegepast.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tijdig was ingesteld, omdat de bekendmaking van de uitspraak op bezwaar later plaatsvond dan de dagtekening. Echter, de rechtbank stelde vast dat bekendmaking geen voorwaarde is voor de totstandkoming van het besluit en dat het besluit in 2022 tot stand is gekomen. Daarom was het tarief uit 2022 terecht toegepast.
De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd zonder zitting gedaan op grond van artikel 8:54 Awb Pro. Er werd verwezen naar relevante jurisprudentie van de Hoge Raad ter onderbouwing van het oordeel.
Uitkomst: Het beroep tegen de kostenvergoeding in de bezwaarfase van de naheffingsaanslag parkeerbelasting is kennelijk ongegrond verklaard.