Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 augustus 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende,
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
- namens belanghebbende, [naam 1] , [naam 2] , mr. E.C.H.M. van Vlerken, [naam 3] en de gemachtigde van belanghebbende, vergezeld van mr. M.K.A. van Slagmaat; en
- namens de inspecteur, mr. P.J.H. Schalkwijk, mr. CA.H Luijken en [inspecteur] .
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
“Artikel 1 (…)
Motivering
- Het enkele feit dat de uitkeringen aan de kinderen zouden zijn gestopt op hun 25e levensjaar en niet op hun 30e levensjaar (zie artikel 1 van Pro de aanvullende arbeidsovereenkomst) doet niet af aan de totstandkoming of geldigheid van de pensioenovereenkomst, nu niet is gebleken dat deze uitkeringen zijn gedaan op grond van een andere overeenkomst en ook niet dat op enig moment belanghebbende pogingen tot terugvordering heeft gedaan wegens onverschuldigde betaling.
- Weliswaar is het nabestaandenpensioen in tegenstelling tot hetgeen is bepaald in artikel 6 van Pro de aanvullende arbeidsovereenkomst niet extern ondergebracht, maar dat is gelet op het overlijden van de heer [naam 4] in hetzelfde jaar als de totstandkoming van de overeenkomst ook te begrijpen. Het overlijdensrisico kon daardoor niet meer buiten de onderneming worden ondergebracht.
- Uit artikel 10 van Pro de aanvullende arbeidsovereenkomst is naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat inkoop van dienstjaren had moeten plaatsvinden, maar wordt daartoe enkel de mogelijkheid geboden. In de situatie van de heer [naam 4] was inkoop van extra dienstjaren ook niet nodig, aangezien op grond van artikel 2 voor Pro de berekening van de grootte van de pensioenen als aanvangsdatum al werd uitgegaan van de aanvangsdatum van zijn dienstbetrekking.
- Daarnaast zijn voornoemde artikelen niet aan te merken als ontbindende of opschortende voorwaarden en staan ze de totstandkoming of geldigheid van de pensioenovereenkomst niet in de weg.