ECLI:NL:RBZWB:2023:503
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bezwaar en beroep tegen middelingsbeschikking inkomstenbelasting 2017-2019
Belanghebbende verzocht om middeling van de inkomstenbelasting over de jaren 2017 tot en met 2019. De inspecteur gaf een middelingsbeschikking af met een teruggaaf van €3.716. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking en verzocht om wijziging van het middelingstijdvak naar 2018-2020, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Daarnaast maakte belanghebbende bezwaar tegen een verminderingsbeschikking van 11 november 2021, die een wijziging van de middelingsbeschikking betrof. De rechtbank oordeelde dat tegen deze ambtshalve gegeven verminderingsbeschikking geen bezwaar en beroep openstaat, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is.
De rechtbank overwoog dat de middelingsbeschikking onherroepelijk vaststaat en dat de wettelijke systematiek geen ruimte biedt voor bezwaar tegen ambtshalve beslissingen omtrent middelingsbeschikkingen. Tevens werd het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard en het beroep tegen de verminderingsbeschikking niet-ontvankelijk. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de verminderingsbeschikking niet-ontvankelijk.