ECLI:NL:RBZWB:2023:4613
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling WOZ-waarde en OZB-aanslag gemeente Schouwen-Duiveland
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden van twee onroerende zaken per 1 januari 2021, welke de basis vormden voor de aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) door de gemeente Schouwen-Duiveland.
De rechtbank heeft de beroepen op 31 maart 2023 behandeld. De heffingsambtenaar heeft de waarden vastgesteld op respectievelijk € 664.000 en € 919.000, met onderbouwing via de huurwaardekapitalisatiemethode en verkoopcijfers van vergelijkbare objecten. Belanghebbende heeft het beroep voor één van de panden ingetrokken en zich beperkt tot een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarden niet te hoog zijn, mede omdat de gehanteerde verkooptransacties na het begin van de coronapandemie zijn gerealiseerd en het leegstandsrisico in de kapitalisatiefactor is verwerkt. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen omdat de uitspraak binnen de redelijke termijn is gedaan.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de beschikking en de daarop gebaseerde aanslagen OZB gehandhaafd blijven.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarden en OZB-aanslagen wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.