ECLI:NL:RBZWB:2023:4612
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling WOZ-waarde en OZB aanslag bedrijfs- en woonobject
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden van twee onroerende zaken, waarop de aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2021 zijn gebaseerd. De heffingsambtenaar had de waarden per 1 januari 2020 vastgesteld op respectievelijk €650.000 en €895.000. De rechtbank heeft de beroepen op 31 maart 2023 behandeld, waarbij de gemachtigde van belanghebbende en vertegenwoordigers van de heffingsambtenaar aanwezig waren.
De rechtbank heeft beoordeeld of de heffingsambtenaar de waarden te hoog heeft vastgesteld. Voor het eerste object is het beroep ingetrokken en beperkt tot een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voor het tweede object heeft belanghebbende aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van de coronapandemie en het leegstandsrisico. De rechtbank oordeelt dat de waardepeildatum 1 januari 2020 ligt vóór de pandemie en dat geen bijzondere omstandigheden voor waardering naar toestandsdatum zijn aangetoond. Het leegstandsrisico is volgens de rechtbank adequaat verwerkt in de kapitalisatiefactor.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van het tweede object onderbouwd met de huurwaardekapitalisatiemethode, vergelijkingsobjecten en een aanvullende berekening. De rechtbank acht deze onderbouwing voldoende en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade af, omdat de zaak binnen de redelijke termijn is behandeld.
De beschikking en de daarop gebaseerde aanslag OZB blijven gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en OZB aanslag wordt ongegrond verklaard en gehandhaafd.