ECLI:NL:RBZWB:2023:4513
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waarde woning en vergoeding immateriële schade in WOZ-zaak
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning met diverse voorzieningen en een groot perceel. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2020 vast op € 622.000. Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van € 590.000 voor. De rechtbank beoordeelde de taxatierapporten van beide partijen.
De taxatie van de heffingsambtenaar, uitgevoerd door taxateur 2, werd als overtuigend en methodologisch correct beoordeeld. Deze taxateur gebruikte vergelijkingsobjecten en een matrix met KOUDVL-factoren om verschillen te corrigeren. Het taxatierapport van belanghebbende voldeed niet aan de wettelijke vereisten en kon de overtuigingskracht van de heffingsambtenaar niet ondermijnen.
De rechtbank concludeerde dat de vastgestelde waarde niet te hoog is en handhaafde deze. Wel werd geconstateerd dat de motivering in de matrix onvoldoende leesbaar was, wat aanleiding gaf om het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. Daarnaast werd een vergoeding van € 50 toegekend voor immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn van vijf maanden, verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Minister van Justitie en Veiligheid.
De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op € 418,50, waarvan de heffingsambtenaar en de Minister ieder de helft dragen. De heffingsambtenaar wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB en waarde-beschikking blijven gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van € 622.000 gehandhaafd, met een beperkte vergoeding voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding.