ECLI:NL:RBZWB:2023:3882
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanmaningskosten en invorderingsrente bij naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanmaningskosten en invorderingsrente die de ontvanger van de Belastingdienst in rekening bracht naar aanleiding van een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting over de periode 2014-2015. De rechtbank beoordeelde de beroepen en oordeelde dat de aanmaningskosten en invorderingsrente terecht en conform Nederlandse wetgeving zijn opgelegd.
Belanghebbende voerde aan dat de naheffingsaanslag in strijd met Unierecht was opgelegd, waardoor geen kosten en rente geheven mochten worden. De rechtbank verwierp dit standpunt, verwijzend naar een eerdere uitspraak waarin de naheffingsaanslag werd bevestigd. Tevens werd het argument dat een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling bij beroep niet nodig is, afgewezen op basis van de Invorderingswet en Leidraad invordering.
Belanghebbende vorderde daarnaast vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de termijn voor de aanmaningskosten met negen maanden was overschreden en kende een vergoeding van € 1.000 toe. Voor de invorderingsrente, met een gering financieel belang, werd geen vergoeding toegekend. De minister werd veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van € 837, alsmede de griffierechten van € 49.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om te oordelen over een rentevergoeding zoals bedoeld in artikel 28c van de Invorderingswet en wees de beroepen verder ongegrond. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De beroepen tegen aanmaningskosten en invorderingsrente worden ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 1.000 aan belanghebbende.