Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2023:3614

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 mei 2023
Publicatiedatum
26 mei 2023
Zaaknummer
BRE 19/673 tot en met 19/677
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51a AwbArt. 8:80a AwbArt. 10:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegde uitspraak op bezwaar door inspecteur leidt tot hersteltermijn via bestuurlijke lus

Belanghebbende maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2015 tot en met het eerste kwartaal 2017. De rechtbank beoordeelde of de uitspraken op bezwaar bevoegd waren genomen, waarbij werd vastgesteld dat dezelfde functionaris namens de inspecteur zowel het primaire besluit als de uitspraken op bezwaar nam.

Dit is in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat vereist dat de bezwaarprocedure door een andere functionaris dan die van het primaire besluit wordt behandeld. Hierdoor zijn de uitspraken op bezwaar onbevoegd genomen.

De rechtbank besloot dat dit gebrek zich leent voor herstel en gaf de inspecteur een termijn van twaalf weken om het gebrek te herstellen via de bestuurlijke lus, waarna belanghebbende de gelegenheid krijgt te reageren. Verder werd iedere beslissing aangehouden tot de einduitspraak.

Belanghebbende was wegens medische redenen niet verschenen bij de zitting, maar de rechtbank wees erop dat verder uitstel niet zal worden verleend en dat belanghebbende zich eventueel door een gemachtigde kan laten bijstaan of de zaak op schriftelijke stukken kan laten afdoen.

De uitspraak is een tussenuitspraak en hoger beroep is alleen mogelijk gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de uitspraken op bezwaar onbevoegd en geeft de inspecteur twaalf weken om dit gebrek te herstellen via de bestuurlijke lus.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 19/673 tot en met 19/677
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 25 mei 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting over het jaar 2015, het eerste, derde en vierde kwartaal van het jaar 2016 en het eerste kwartaal van 2017, de daarbij in rekening gebrachte belastingrente en opgelegde vergrijpboetes.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht gehonoreerd en daarom geen griffierecht voor de beroepen geheven.
1.3.
Alvorens partijen zijn uitgenodigd om op 21 april 2023 ter zitting te verschijnen, is de zitting tweemaal uitgesteld in verband met door belanghebbende aangevoerde medische omstandigheden.
1.4.
Het beroep is op 21 april 2023 om 09.30 uur op zitting behandeld. Namens de inspecteur zijn ter zitting verschenen: [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en als toehoorder [toehoorder] . Belanghebbende is niet verschenen.
1.5.
Van hetgeen ter zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, die met deze uitspraak aan partijen is toegezonden.
1.6.
De rechtbank heeft op de dag van de zitting om 09.44 uur een emailbericht van belanghebbende ontvangen, waarin zij aangeeft wegens medische redenen niet ter zitting te kunnen verschijnen. In dat bericht verzoekt belanghebbende wederom om uitstel van de mondelinge behandeling van de zaak.

2.Feiten

2.1.
Bij belanghebbende heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden. In dat onderzoek is door de inspecteur onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting voor haar eenmanszaak over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2017 beoordeeld.
2.2.
Voordat het boekenonderzoek aanving, heeft [medewerker belastingdienst 1] , werkzaam bij de Belastingdienst, in een interne email van 25 juni 2017 aan [medewerker belastingdienst 2] en [medewerker belastingdienst 3] , beiden eveneens werkzaam bij de Belastingdienst, het volgende geschreven:
“ […]
Ik heb haar aangegeven dat we de administratie 2015 en 2016 ter beschikking willen hebben en dat voor aanvang een gesprek met haar zal (moeten) plaatsvinden om een (beter) beeld te krijgen op o.a. de bedrijfsactiviteiten.
Ik heb haar twee opties geboden n.l.:
- [medewerker belastingdienst 2] ] komt de spullen ophalen en zal dan gelijk de vraagpunten met haar bespreken of
- Zij komt de spullen in Middelburg brengen waar dan tevens het gesprek zal plaatsvinden.
[…]
Willen jullie (op haar verzoek) expliciet aangeven welke gegevens jullie nodig hebben. Ik zal dan, in overleg met [medewerker belastingdienst 2] , haar een reactie op de e-mail sturen.
[…]”
2.3.
Na afronding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur met dagtekening 12 juli 2018 een brief aan belanghebbende gestuurd waarin hij schrijft dat hij naheffingsaanslagen voor de omzetbelasting zal opleggen. Volgens de inhoud van de brief is deze gestuurd door [medewerker belastingdienst 3] .
2.4.
Belanghebbende heeft vervolgens tegen de opgelegde naheffingsaanslagen bezwaar ingediend. Namens de inspecteur heeft [medewerker belastingdienst 3] over het bezwaar met belanghebbende gecorrespondeerd.
2.5.
Vervolgens heeft de inspecteur bij uitspraken op bezwaar de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen ongegrond verklaard. De brief waarin de motivering voor die beslissingen wordt gegeven is namens de inspecteur ondertekend door [medewerker belastingdienst 3] .

3.Beoordeling door de rechtbank

Bevoegd genomen uitspraken op bezwaar?
3.1.
In beroep heeft belanghebbende onder meer aangevoerd dat de inspecteur, in de persoon [medewerker belastingdienst 3] , haar bezwaar niet objectief heeft benaderd. De rechtbank begrijpt die stelling zo dat belanghebbende betwist dat de uitspraken op bezwaar bevoegd zijn genomen. De rechtbank ziet zich daarom allereerst voor de vraag gesteld of de onderhavige uitspraken op bezwaar zijn gedaan met inachtneming van het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.2.
In artikel 10:3, derde lid, van de Awb is bepaald dat het mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Deze bepaling strekt ertoe te waarborgen dat in de bezwaarprocedure een zorgvuldige heroverweging van het eerder genomen primaire besluit plaatsvindt. De heroverweging in de bezwaarprocedure moet dan geschieden door een ander dan degene die in feite het primaire besluit heeft genomen. Het gaat hier om een essentieel voorschrift bij overtreding waarvan moet worden geoordeeld dat de beslissing op het bezwaarschrift onbevoegd is genomen. [1]
3.3.
In dit geval staat vast dat in de bezwaarprocedure de beslissingen namens de inspecteur (mede) zijn genomen door [medewerker belastingdienst 3] . Uitsluitend is in geschil of [medewerker belastingdienst 3] de besluiten waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat, heeft genomen. De inspecteur stelt dat dat niet het geval is. Volgens hem zijn de primaire besluiten, te weten de inhoudelijke beslissingen tot het opleggen van de naheffingsaanslagen, genomen door andere functionarissen dan [medewerker belastingdienst 3] . [medewerker belastingdienst 3] heeft slechts de administratieve uitwerking daarvan op zich genomen, aldus de inspecteur.
3.4.
De rechtbank gaat in het betoog van de inspecteur niet mee. Gelet op de inhoud van de onder 2.2 genoemde aan [medewerker belastingdienst 3] gerichte e-mail in combinatie met de door [medewerker belastingdienst 3] ondertekende brief waarin de naheffingsaanslagen worden aangekondigd (zie 2.3), is de rechtbank van oordeel dat de betrokkenheid van [medewerker belastingdienst 3] bij de primaire besluitvorming niet is beperkt tot de administratieve verwerking daarvan, maar dat [medewerker belastingdienst 3] de naheffingsaanslagen (mede) heeft vastgesteld. Dat betekent dat degene die de uitspraken op bezwaar heeft gedaan eveneens degene is die (mede) de primaire besluiten heeft genomen. Dat is in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb.
3.5.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de uitspraken op bezwaar onbevoegd zijn genomen. Dat betekent dat sprake is van een gebrek in de totstandkoming van de bestreden uitspraken op bezwaar.
Hoe nu verder?
3.6.
De rechtbank is van oordeel dat het geconstateerde gebrek zich leent voor herstel. [2] In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om door middel van een tussenuitspraak (artikel 8:80a van de Awb) de inspecteur met toepassing van de bestuurlijke lus (artikel 8:51a van de Awb) in de gelegenheid te stellen het geconstateerde gebrek te herstellen door uitspraken op bezwaar te laten doen door een wel bevoegde functionaris.
3.7.
De rechtbank houdt daarom voor nu iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op de beroepen. Verder bepaalt de rechtbank de termijn waarbinnen de inspecteur het gebrek kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.
3.8.
Na de herstelpoging van het gebrek door de inspecteur, zal de rechtbank belanghebbende in de gelegenheid stellen om binnen vier weken te reageren op die herstelpoging. Partijen worden in dat verband op hun recht gewezen ter zitting te worden gehoord en dienen in de reacties naar aanleiding van deze uitspraak aan te geven of zij van dat recht gebruik willen maken.
Verdagingsverzoek
3.9.
Gelet op voorgaande beslissing, namelijk aanhouding van iedere beslissing tot de einduitspraak, behoeft het pas na aanvang van de zitting ontvangen verzoek om de zitting van 21 april te verplaatsen geen behandeling als verzoek tot heropening: het onderzoek ter zitting is namelijk nog niet gesloten (zie 1.6). Belanghebbende kan, zoals hiervoor opgemerkt, na de herstelpoging van het gebrek door de inspecteur, verzoeken om een nieuwe zitting bij de rechtbank. Gelet op het feit dat belanghebbende reeds driemaal heeft verzocht om geplande zittingen te verplaatsen wegens voor haar medische redenen, merkt de rechtbank op voorhand op dat verder uitstel van de zitting om dezelfde medische redenen niet zal worden verleend met het oog op de goede procesorde. Indien belanghebbende in het geval van een nadere zitting mogelijkerwijs niet in staat zal zijn de in te plannen zitting te kunnen bijwonen, kan belanghebbende er ook voor te zorgen dat zij zich laat bijstaan door een gemachtigde. Overigens bestaat ook de mogelijkheid de zaak op basis van de schriftelijke stukken, en dus zonder nadere zitting, af te doen.

4.Conclusie en gevolgen

4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur de uitspraken op bezwaar onbevoegd heeft genomen, en biedt de inspecteur daarom een termijn van twaalf weken om dit gebrek te herstellen. De rechtbank houdt daarom iedere verdere beslissing aan.

5.Beslissing

De rechtbank:
  • stelt de inspecteur in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en mr. M.W.C. Soltysik, leden, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier op 25 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Zie HR 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9084 en HR 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8572.