Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was in 2014 in dienst bij een Zwitserse werkgever en werkte vanaf april 2014 aan boord van een pijpleggerschip dat eigendom is van een Nederlands concernonderdeel. De inspecteur stelde het belastbaar inkomen bij en verleende geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, waarop belanghebbende bezwaar maakte. Na afwijzing van het bezwaar stelde belanghebbende beroep in bij de rechtbank.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 15, lid 3, van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland, dat bepaalt dat loon uit een dienstbetrekking aan boord van een schip in internationaal verkeer belast mag worden in de staat waar de werkelijke leiding van de onderneming is gevestigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het pijpleggerschip niet kwalificeert als een schip dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, omdat de hoofdactiviteit niet het vervoer van personen of goederen betreft.
Daarmee is het exclusieve heffingsrecht voor het loon van belanghebbende in Nederland gelegen, aangezien hij daar woonde en niet in Zwitserland heeft gewerkt. Het beroep van belanghebbende is daarom ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft ongewijzigd.