Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019, waarbij de inspecteur een tijdsevenredig premiepercentage van 18,7% toepaste, omdat belanghebbende in juli 2019 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikte. De inspecteur hanteerde voor de eerste zes maanden het hoge premiepercentage van 27,65% en voor de laatste zes maanden het lage percentage van 9,75%, conform de Regeling Wfsv.
Belanghebbende stelde dat alleen over haar AOW-uitkering het lage percentage van toepassing moest zijn, omdat het niet de bedoeling kon zijn dat zij AOW-premie betaalt over haar AOW-uitkering. De rechtbank oordeelde echter dat de inspecteur de premie correct heeft berekend volgens de geldende wettelijke regeling en verwees naar een arrest van de Hoge Raad uit 2005 dat deze systematiek bevestigt.
De rechtbank vond dat het beroep ongegrond is omdat de inspecteur het juiste premiepercentage heeft toegepast. Ook de belastingrente is terecht in rekening gebracht, aangezien belanghebbende daartegen geen zelfstandige gronden had aangevoerd. De rechtbank wees het griffierecht en proceskostenvergoedingen af.
De uitspraak werd gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier L.M. de Leeuw van Weenen op 16 januari 2023. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag IB/PVV 2019 met het toegepaste premiepercentage en belastingrente blijft gehandhaafd.