ECLI:NL:RBZWB:2023:1936
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen inhouding op bijstandsuitkering wegens schuldaflossing
Eiser en zijn vrouw ontvangen een bijstandsuitkering en hebben een openstaande schuld bij het college van burgemeester en wethouders van Tilburg. Het college houdt sinds 1 april 2021 maandelijks € 76,82 in op de uitkering om de schuld af te lossen, conform de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Wvbv). Eiser betwist deze inhouding en voert aan dat de Participatiewetgeving in strijd is met de Belastingwetgeving en de Grondwet, en dat de beslagvrije voet onrechtvaardig is omdat hij daardoor benadeeld wordt. Hij beroept zich op het evenredigheidsbeginsel en bijzondere persoonlijke omstandigheden, zoals zijn mantelzorgtaken en het feit dat hij nauwelijks rondkomt.
De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit volledig conform de wettelijke bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is genomen, waarbij een beslagvrije voet van 95% wordt gehanteerd en 5% van de uitkering mag worden ingehouden. De rechtbank benadrukt dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro geldt voor wetten in formele zin, zoals hier het geval is, waardoor toetsing aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel niet mogelijk is. Alleen bij bijzondere omstandigheden die niet door de wetgever zijn meegewogen, kan een contra legem toetsing plaatsvinden, maar die situatie doet zich hier niet voor.
De rechtbank concludeert dat het college terecht heeft gehandeld en dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling om schulden ook bij bijstandsgerechtigden te innen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de inhouding van 5% op de bijstandsuitkering voor schuldaflossing wordt ongegrond verklaard.