ECLI:NL:RBZWB:2023:1928
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waardering horecaobject te Tilburg
Belanghebbende, gebruiker van een horecapand te Tilburg, betwist de WOZ-waarde van €259.000 vastgesteld per 1 januari 2020. De heffingsambtenaar heeft deze waarde bepaald via de huurwaardekapitalisatiemethode, onderbouwd met acht vergelijkingsobjecten.
Belanghebbende voert aan dat de coronapandemie de waarde negatief heeft beïnvloed, verwijzend naar een handreiking van de VNG en een arrest van de Hoge Raad. De rechtbank oordeelt dat de waardepeildatum voorafgaat aan de pandemie en dat een waardedaling alleen relevant is indien sprake is van een bijzondere omstandigheid die de fysieke toestand van het pand beïnvloedt. Dit is niet aannemelijk gemaakt.
Verder is het gebruik van huur- en verkooptransacties tijdens de coronaperiode door de heffingsambtenaar een redelijke wijze om rekening te houden met marktontwikkelingen. De stelling dat de huurwaarden onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt is te laat ingebracht en wordt niet gehonoreerd. Ook het beroep op een leegstandsrisico wordt verworpen omdat de kapitalisatiefactor marktconform is vastgesteld.
Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de procedure binnen 24 maanden is afgerond. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de beschikking en aanslag OZB.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de aanslag onroerendezaakbelasting blijft gehandhaafd.