ECLI:NL:RBZWB:2023:1787
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2019, vastgesteld op €168.000 door de heffingsambtenaar. De rechtbank beoordeelde het beroep en onderzocht of de waarde te hoog was vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode en de onderbouwing door een deskundige taxateur.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede doordat de referentiewoningen vergelijkbaar waren en de verschillen in kwaliteit, onderhoud en ligging waren meegewogen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast maakte belanghebbende aanspraak op een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep. De rechtbank stelde vast dat de termijn met 12 maanden was overschreden en kende een schadevergoeding van €1.000 toe, waarvan €83,33 voor rekening van de heffingsambtenaar en €916,67 voor rekening van de Staat der Nederlanden.
Tot slot werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende, te betalen door zowel de heffingsambtenaar als de minister, en werd bepaald dat zij elk de helft van het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €168.000 blijft gehandhaafd, met toekenning van immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.