ECLI:NL:RBZWB:2023:1668

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 maart 2023
Publicatiedatum
15 maart 2023
Zaaknummer
22-020501
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 SvArt. 36b SrArt. 552f SvArt. 552d lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Teruggave van hond na inbeslagname wegens bijtincident wegens disproportioneel beslag

Klaagster verzocht om opheffing van het beslag op haar hond, die op 2 september 2022 door de politie in beslag werd genomen na een bijtincident. Zij stelde dat het beslag disproportioneel is en dat lichtere maatregelen, zoals een muilkorf- en aanlijngebod, volstaan om toekomstige incidenten te voorkomen.

De officier van justitie stelde dat het beslag gehandhaafd moet blijven vanwege het strafvorderlijk belang en de ernst van het incident, waarbij ook eerdere incidenten speelden. De raadkamer oordeelde dat het onderzoek summier is en dat de inhoudelijke beoordeling van de gevaarlijkheid van de hond in de strafzaak zal plaatsvinden.

De rechtbank overwoog dat het beslag terecht was gelegd gezien het redelijk vermoeden van schuld van de echtgenoot van klaagster. Echter, voortzetting van het beslag voldoet niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, mede gezien de bereidheid van klaagster om waarborgen te bieden.

Daarom werd het klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave van de hond aan klaagster bevolen, onder de voorwaarde dat zij en haar echtgenoot zich houden aan het bestuursrechtelijk muilkorf- en aanlijngebod. Een definitieve beslissing over het beslag volgt in de strafzaak tegen de echtgenoot.

Uitkomst: Het klaagschrift is gegrond verklaard en de hond wordt teruggegeven aan klaagster wegens disproportioneel beslag.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
rk.nummer: 22-020501
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klaagster],
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
hierna te noemen: klaagster.
Klaagster heeft in deze zaak woonplaats gekozen ten kantore van mr. M.C. Coster, advocaat te Laren (NH), op het adres Brink 16a, 1251 KW Laren (NH).

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 2 september 2022 onder klaagster in het strafvorderlijk onderzoek tegen haar echtgenoot [echtgenoot klaagster] in beslag is genomen: een hond (kruising tussen Boerenfox Stafford en een dwergpoedel);
  • het klaagschrift, ingediend op 13 september 2022 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 28 februari 2023. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. G. van Oosterveld, klaagster en mr. J. Baar als raadsman van klaagster (waarnemend voor zijn kantoorgenoot mr. M.C. Coster) en belanghebbende [echtgenoot klaagster]
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat de hond van klaagster op 2 september 2022 door de politie in beslag is genomen in verband met een vermeend bijtincident. De reden van inbeslagneming is klaagster onbekend. Klaagster stelt dat er geen strafvorderlijk belang bestaat dat zich tegen teruggave van de hond verzet. Daar komt bij dat het beslag thans geacht moet worden in strijd te zijn met de proportionaliteit en subsidiariteit. Klaagster wordt onevenredig getroffen door het beslag nu de hond een grote emotionele waarde voor klaagster vertegenwoordigt en zij bij voortduring van het beslag niet voor haar hond kan zorgen. Klaagster stelt dat met lichtere middelen kan worden volstaan zoals een muilkorfgebod en aanlijnplicht.
De raadsman heeft in aanvulling op het klaagschrift in raadkamer aangevoerd dat het risico analyse rapport dat in opdracht van het Openbaar Ministerie is opgesteld niet als deugdelijk bewijsmiddel kan gelden. Dat de hond gevaarlijk zou zijn, kan op basis van een rapport waarvan niet duidelijk is hoe, door wie, onder welke omstandigheden en volgens welke methode het is opgesteld, niet worden aangenomen. Om die reden is er contra-expertise uitgevoerd waaruit een tegenovergestelde conclusie is gevolgd. De raadsman heeft daarbij aangegeven dat hij gelet op de beperkte toetsingsruimte in raadkamer niet zal betogen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring danwel onttrekking aan het verkeer van de hond zal bevelen. Wel heeft hij zich op het standpunt gesteld dat, ook als het niet ‘hoogst onwaarschijnlijk is dat..’ en het beslag dus in principe kan voortduren, voortduring van het beslag niet in overeenstemming is met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Zonder het bijtincident te bagatelliseren gaat het om een incident tussen twee honden. De schade die de eigenaar van de andere hond heeft geleden is door klaagster betaald en het gaat ook weer goed met die hond. Klaagster wil er alles aan doen om toekomstige incidenten te voorkomen. Bovendien ligt er inmiddels bestuursrechtelijk een muilkorf- en aanlijngebod. Klaagster zal zich daaraan houden. Gelet op de waarborgen die geboden kunnen worden en de bereidheid van klaagster om die ook te bieden valt niet in te zien waarom het belang van voortduring van het beslag, het belang van klaagster te boven zou gaan. Het beslag is daarmee aldus disproportioneel. Bovendien verblijft de hond van klaagster reeds lange tijd in het asiel, hetgeen voor zowel de hond als klaagster belastend is, zodat de hond ook om die reden teruggegeven dient te worden aan klaagster.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven. Het Openbaar Ministerie zet vraagtekens bij de inhoud van de contra-expertise die is uitgevoerd waaruit zou blijken dat de hond van klaagster niet gevaarlijk is. Er is sprake geweest van een bijtincident en kennelijk was dat niet de eerste keer. Een eerdere aanlijnplicht heeft niet geholpen. Dat maakt het een serieuze kwestie. Hoe gevaarlijk de hond is en of hij terug kan naar klaagster en welke waarborgen er in dat geval gesteld dienen te worden zijn vragen die volgens de officier van justitie tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen de echtgenoot van klaagster aan de orde moeten komen nu de raadkamer zich - gelet op het summiere karakter - niet voor dergelijke inhoudelijke vraagstukken leent. In afwachting van de uiteindelijke inhoudelijke behandeling van de strafzaak dient het beslag aldus gehandhaafd te blijven en is het aan de strafrechter, later oordelend, om een beslissing op het beslag te nemen. In de tussentijd zal niet over worden gegaan tot euthanasie. Het klaagschrift dient ongegrond te worden verklaard. De officier van justitie heeft aangegeven dat zij geen informatie heeft over een zittingsdatum.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:379).
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de voorhanden zijnde stukken, mede in het licht gezien van de stelling van het Openbaar Ministerie dat zich eerder een bijtincident heeft voorgedaan, - uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift en met inachtneming van het summiere karakter van de raadkamer - ten opzichte van de echtgenoot van klaagster, [echtgenoot klaagster] , een redelijk vermoeden van schuld aan de verweten gedraging kan volgen. De beslaglegging was dan ook terecht. Naar aanleiding van het bijtincident is in opdracht van het Openbaar Ministerie een risicoanalyse rapport over de hond opgemaakt. Vervolgens is op verzoek van klaagster en haar echtgenoot een contra-expertise uitgevoerd. De inhoud en conclusies van deze rapportages lopen uiteen en roepen nog de nodige vragen op. De rechtbank is van oordeel dat - gelet op het summiere karakter van de raadkamer - beantwoording van deze vragen en eventueel nader onderzoek tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak aan de orde dienen te komen.
Gelet op deze stand van zaken acht de rechtbank het niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de hond zal bevelen en dat thans dus nog een strafvorderlijk belang bestaat bij het in beslag houden van de hond.
Het beslag moet echter voldoen en blijven voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Uit de beschikbare informatie en hetgeen door de raadsman namens klaagster in raadkamer naar voren is gebracht begrijpt de rechtbank dat met andere maatregelen (waarborgen) strafbare gedragingen voorkomen kunnen worden en dat klaagster ook zeer bereid is haar medewerking daaraan te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat voortzetting van het beslag in dit geval niet proportioneel is.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv Pro gelegde beslag gegrond verklaren en bepalen dat de hond aan klaagster dient te worden teruggegeven, waarbij de rechtbank er vanuit gaat dat zowel klaagster als haar [echtgenoot klaagster] zich zullen houden aan het muilkorf- en aanlijngebod en er alles aan zullen doen om toekomstige incidenten te voorkomen. Daar behoort ook toe er op toezien dat de hond niet uit de lijn kan ontsnappen. In het kader van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen [echtgenoot klaagster] zal er een definitieve beslissing op het beslag worden genomen.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de hond aan klager.
Deze beslissing is op 2 maart 2023 gegeven door mr. T.M. Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).