ECLI:NL:RBZWB:2023:1550

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2023
Publicatiedatum
13 maart 2023
Zaaknummer
BRE 21_5266
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aftrek scholingsuitgaven buitenlandse student en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van een belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst. De zaak betreft de aftrek van scholingskosten voor het jaar 2017, waarbij de belanghebbende, een inwoner van Ecuador, collegegeld heeft betaald voor een masterstudie in Nederland. De inspecteur heeft de aftrek van scholingskosten niet geaccepteerd en de rechtbank moet beoordelen of de betaling van het collegegeld als een depotstorting kan worden aangemerkt, wat invloed heeft op de aftrekbaarheid. De rechtbank concludeert dat de betaling van het collegegeld niet als depotstorting kan worden beschouwd, omdat het collegegeld verschuldigd was ten tijde van de betaling, wat betekent dat de belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de scholingskosten.

Daarnaast heeft de belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden met zes maanden en kent een schadevergoeding van € 500 toe. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar veroordeelt de inspecteur tot het betalen van de immateriële schadevergoeding en proceskosten aan de belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/5266
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats 1], belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde])
en
de inspecteur van de Belastingdienst,de inspecteur,
en
de Minister van Veiligheid en Justitie,de Minister.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2021.
1.2.
Bij op de aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 opgenomen beschikking heeft de inspecteur de nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek voor het jaar 2015 vastgesteld op nihil..
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende afgewezen.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde (per telefoon) en namens de inspecteur [inspecteur] en [inspecteur].

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende was tot medio augustus 2017 inwoner van Ecuador. Hij heeft zich in 2017 gemeld bij de [opleiding] voor het volgen van een masterstudie. De universiteit heeft aan belanghebbende op 31 juli 2017 het volgende bericht:
“[belanghebbende] ([opleiding] admission number [nummer]) born [geboortedatum] in [plaats 2], Ecuador has been granted dmission to the Master's program
Systems and [opleiding] ([opleiding]) in the
Netherlands. (…)
The tuition fee for academic year 2017/2018 for a student with the
nationality of a country outside the European Economic Area is € 15,000. (..) .
[belanghebbende] is required to pay a guarantee fee of €16,000 to
secure a place at [opleiding]. The guarantee fee covers the first year tuition fee of
€15,000, application costs for an entry visa and the fee for the Intro
International Students.
Before an entry visa for the Netherlands can be granted by Dutch immigration
services, students are required to prove that they are able to cover annual living
costs of at least €10,500. Per year, we estimate that an international student
needs a budget of approximately €12,000 euro for housing costs, insurance,
living expenses, books and local transportation. This is a minimum budget and is
in addition to the guarantee fee and any travelling expenses from the home
country to [plaats 3].”
2.2.
Vanaf 31 augustus 2017 staat in Nederland ingeschreven in de Basisregistratie personen. Hij heeft het bedrag van € 27.000 (tuition fee € 15.000 + living costs € 12.000) op 29 juni 2017 betaald.
2.3.
Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 gedaan naar een verzamelinkomen van nihil. In de aangifte heeft hij € 14.750 scholingskosten in aftrek gebracht (€ 15.000 min de drempel van € 250). De inspecteur heeft een aanslag IB/PVV 2017 van nihil opgelegd, de aftrek van scholingskosten niet geaccepteerd en (impliciet) de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vastgesteld op nihil.
2.4.
Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van scholingskosten. Belanghebbende stelt dat de betaling in juni 2017 een depotstorting is omdat het collegegeld op verzoek van belanghebbende wordt geretourneerd indien hem geen visum wordt verleend. De eerdere betaling is alleen nodig om aan te tonen dat belanghebbende beschikt over de middelen om het collegegeld en zijn kosten van levensonderhoud te betalen. Pas bij aanvang van de studie op 1 september 2017 vond de daadwerkelijke betaling van het collegegeld plaats door verrekening met het in depot gestorte bedrag.
2.5.
De inspecteur meent dat de betaling heeft plaatsgevonden op in juni 2017, dus voordat belanghebbende binnenlands belastingplichtige was.
2.6.
Belanghebbende heeft ook verzocht om een immateriële-schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting.

3.Beoordeling door de rechtbank

Vooraf en ambtshalve
3.1.
De uitspraak op bezwaar is gedateerd 12 oktober 2021. Het beroep is ingekomen op 3 december 2021. Dat is meer dan 6 weken na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende bestrijdt onder meer de juiste verzending van de uitspraak op bezwaar. Hij heeft gesteld dat die uitspraak hem niet eerder heeft bereikt dan na toezending van een kopie door de inspecteur op 1 december 2021. Aangezien de inspecteur de terpostbezorging van de uitspraak op of rond 12 oktober 2021 niet aannemelijk kan maken, zal de rechtbank de kopie aanmerken als uitspraak op bezwaar [1] . Het op 3 december 2021 ingekomen beroep is dan ontvankelijk.
Materiële geschilpunten
3.2.
De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op aftrek van het betaalde collegegeld als scholingskosten en op een immateriële-schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting. Ter zitting heeft belanghebbende het beroep betreffende de dwangsom ingetrokken.
Is het betaalde collegegeld aftrekbaar?
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van het betaalde collegegeld. Hierna geeft de rechtbank aan hoe zij tot dat oordeel is gekomen en wat de gevolgen daarvan zijn.
3.4.
Voor aftrek van scholingskosten komen in aanmerking binnenlands belastingplichtigen of kwalificerende buitenlands belastingplichtigen. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende tot 31 augustus 2017 geen van beiden was en dat het collegegeld voor hem niet aftrekbaar is als het voor die datum was betaald. [2] Van betaling is (nog) geen sprake als de betaling dient als depotstorting. Een depotstorting is een betaling die niet strekt tot delging van een schuld. [3] Bij een depotstorting heeft het bedrag het vermogen ten tijde van de betaling niet definitief verlaten en kan de belanghebbende er vrijelijk over beschikken. [4]
3.5.
Op grond van artikel 7.43 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is een student voor elk studiejaar dat hij door het instellingsbestuur voor een opleiding is ingeschreven, aan die instelling collegegeld verschuldigd. Artikel 7.37 van de WHW bepaalt dat de inschrijving openstaat voor degene die aan de voor de studie gestelde eisen voldoet en dat tot inschrijving niet wordt overgegaan dan nadat bewijs is overgelegd dat het verschuldigde collegegeld is of (door een derde) wordt voldaan. De WHW maakt voor de mogelijkheid tot inschrijving geen verschil tussen buitenlandse en binnenlandse studenten. Dat er een speciale regeling geldt voor studenten van buiten de EU (vreemdelingen) volgt dus niet uit de WHW maar dat volgt uit de Vreemdelingenwet, omdat daarin voorwaarden worden gesteld - ook voor studenten - aan de mogelijkheid tot verblijf in Nederland. Artikel 3.41 van het Vreemdelingenbesluit bepaalt dat aan studenten een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet, kan worden verleend onder de beperking verband houdende met het volgen van studie. Voor het verlenen van zo’n verblijfsvergunning is onder meer een (voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling vereist. Die (voorlopige) inschrijving moet blijken uit een verklaring die is afgegeven door het College van Bestuur van die onderwijsinstelling.
3.6.
Uit de door belanghebbende overgelegde stukken blijkt dat de universiteit aan hem onder meer het collegegeld in rekening heeft gebracht, kennelijk (naar bh stelt) om voor hem een visum, dat wil zeggen een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.41 van het Vreemdelingenbesluit te kunnen regelen. Uit hetgeen hiervoor in 3.5 is uiteengezet volgt dat voor die verblijfsvergunning vereist was dat belanghebbende (voorlopig) was ingeschreven aan de universiteit en dat die inschrijving de verplichting tot het betalen van collegegeld met zich brengt. Hieruit leidt de rechtbank af dat belanghebbende het collegegeld verschuldigd was ten tijde van de betaling daarvan omdat juist die betaling een voorwaarde is voor de inschrijving aan de universiteit en die inschrijving vereist was voor het aanvragen van een verblijfsvergunning. De betaling geschiedde dus ter delging van een schuld die door de inschrijving was ontstaan. Daarom kan niet worden gezegd dat geen sprake was van een betaling als bedoeld in artikel 6.40, eerste lid, letter a, van de Wet IB 2001 maar van een depotstorting.
3.7.
Aan het in 3.6 weergegeven oordeel doet niet af dat de universiteit ook de mogelijkheid biedt om voor de betaling van collegegeld een machtiging tot periodieke incasso te geven, omdat van een dergelijke machtiging in dit geval geen sprake is geweest.
3.8.
Aan het oordeel doet evenmin af dat belanghebbende het collegegeld terug zou hebben kunnen krijgen indien hem geen visum zou zijn verleend. In dat geval zou belanghebbende de inschrijving aan de universiteit hebben kunnen beëindigen. Hij zou dan (net als binnenlandse studenten) recht hebben gehad terugbetaling van een twaalfde gedeelte van het door hem wettelijk verschuldigde collegegeld voor elke maand dat het studiejaar na beëindiging van zijn inschrijving duurde (artikel 7.48, vierde lid, van de WHW).
Overschrijding redelijke termijn
3.9.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep. Van een overschrijding van de redelijke termijn is in het algemeen sprake indien de behandeling van bezwaar en beroep meer dan twee jaar hebben geduurd.
3.10.
Het bezwaarschrift is ontvangen op 2 oktober 2020. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 1 december 2021 (zie 3.1). De rechtbank doet uitspraak op 10 maart 2023. De redelijke termijn is overschreden met 6 maanden.
3.11.
Belanghebbende heeft dan recht op een immateriële-schadevergoeding van € 500. De overschrijding moet geheel worden toegerekend aan de bezwaarfase.
Conclusie en gevolgen
4.1.
Het beroep is ongegrond. De toekenning van een immateriële-schadevergoeding maakt dat niet anders. . Wel bestaat om die reden recht op een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en vergoeding van griffierecht.
4.2.
De rechtbank ziet aanleiding om de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid bij de zitting, met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5). Omdat de vergoeding alleen plaatsvindt in verband met de toekenning van een vergoeding van immateriële schade, is de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak gesteld op 0,5 (licht). [5] .
4.3.
Nu de overschrijding van de redelijke termijn aan de inspecteur is te wijten, moet de inspecteur de proceskostenvergoeding en het griffierecht aan belanghebbende betalen.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van proceskosten aan belanghebbende van € 837;
  • bepaalt dat de inspecteur van het griffierecht € 49 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. W.C.C. Koreman-de Bok, griffier, op 10 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930.
2.Artikel 6.40, lid 1, letter b, Wet IB 2001.
3.Vgl. HR 2 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AU6474.
4.Vgl Hof Amsterdam 24-11-2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ3302.
5.HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660.