Belanghebbende maakte bezwaar tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2018, waarbij de inspecteur het belastbaar inkomen verhoogde van €34.684 naar €92.930. Dit was gebaseerd op een rapport van de politie over een hennepkwekerij in een door belanghebbende gehuurde garagebox en een vermogensvergelijking waaruit bleek dat belanghebbende meer had uitgegeven dan aan inkomsten bekend was.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan, waardoor de bewijslast omgekeerd en verzwaard werd. De inspecteur mocht daarom een redelijke schatting maken van het belastbaar inkomen, gebaseerd op het politie-rapport en vermogensvergelijking. Belanghebbende voerde aan geen betrokkenheid te hebben bij de hennepkwekerij en stelde dat hij de verbouwing van zijn woning met eigen middelen had betaald, maar kon dit onvoldoende onderbouwen.
De rechtbank vond de inspecteur aannemelijk hebben gemaakt dat belanghebbende meer inkomsten had dan opgegeven en dat de schatting redelijk was. De onschuldpresumptie werd niet geschonden omdat het fiscale bewijsrecht anders is dan strafrechtelijk bewijs. Het beroep werd ongegrond verklaard, de navorderingsaanslag bleef in stand en belanghebbende kreeg geen proceskostenvergoeding.