Uitspraak
2.De nadere beoordeling
ECLI:NL:RBOBR:2020:5136:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van een vrouw tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader ten aanzien van haar twee minderjarige kinderen. De vrouw was op 15-jarige leeftijd gehuwd in Eritrea, een huwelijk dat volgens Eritrees recht en de Nederlandse openbare orde rechtsgeldig is. De vrouw had op meerderjarige leeftijd een verklaring afgelegd voor registratie van het huwelijk in Nederland.
De ambtenaar van de burgerlijke stand (ABS) bevestigde de rechtsgeldigheid van het huwelijk en gaf aan dat er geen gronden zijn om de huwelijksgegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) te wijzigen. De bijzondere curator stelde dat het in het belang van de kinderen is dat hun juridische status overeenkomt met de biologische werkelijkheid, aangezien de juridische vader geen contact heeft en onbekend is in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat het Nederlandse recht van toepassing is op het vaderschapsverzoek en dat de juridische vader het vaderschap heeft krachtens het huwelijk. Echter, op grond van artikel 1:200 BW Pro kan de ontkenning van het vaderschap gegrond worden verklaard indien de juridische vader niet de biologische vader is. De rechtbank stelde vast dat de vermoedelijke biologische vader de verwekker is en dat de juridische vader niet de biologische vader kan zijn.
Daarom werd het verzoek van de vrouw tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap toegewezen. Het subsidiaire verzoek tot doorhaling van de huwelijksvader op de geboorteakten werd afgewezen. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 15 februari 2022.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader gegrond en wijst het verzoek tot doorhaling van de huwelijksvader af.