ECLI:NL:RBZWB:2022:838

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2022
Publicatiedatum
20 februari 2022
Zaaknummer
BRE 19_1179 tot en met 19_1189
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h AWRArt. 28 AWRAfdeling 8.2.6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag BPM wegens onjuiste tenaamstelling en vergoeding immateriële schade

Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 20.761 en de daarbij berekende belastingrente van € 1.576. De rechtbank stelde vast dat de naheffingsaanslag onjuist was ten name gesteld, waardoor deze vernietigd moest worden. De belastingrente werd daarmee eveneens vernietigd.

Belanghebbende vorderde een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank overwoog dat er samenhang bestond tussen meerdere zaken van belanghebbende, waardoor voor alle zaken gezamenlijk een vergoeding van € 500 per half jaar werd gehanteerd. De overschrijding bedroeg 20 maanden, wat resulteerde in een vergoeding van € 2.000. Hiervan werd € 200 ten laste van de inspecteur gebracht en € 1.800 ten laste van de Minister van Justitie en Veiligheid.

Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.026,50 en het betaalde griffierecht van € 345. De uitspraak is gedaan op 18 februari 2022 en is openbaar gemaakt via Rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag BPM en belastingrente, wijst vergoeding immateriële schade toe en veroordeelt de inspecteur in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers: BRE 19/1179 tot en met 19/1189
uitspraak van 18 februari 2022
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], gevestigd te [plaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur,
en
de Minister van Justitie en Veiligheid,
de Minister.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 5 februari 2019 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm) van € 20.761 (hierna: de naheffingsaanslag) en de gelijktijdig bij beschikking in rekening gebrachte belastingrente van € 1.576 (hierna: de belastingrente).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2022 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde] , verbonden aan [bedrijf] , en [de inspecteur] .
Zaaknummers 19/6066 en 20/5905 ten name van [Y] zijn gelijktijdig behandeld. Van de zitting is een proces-verbaal gemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met een afschrift van deze uitspraak aan partijen is verzonden.

1.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vernietigt de naheffingsaanslag alsmede de belastingrente;
  • veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade van € 200;
  • veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade van € 1.800;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.026,50;
- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 345 aan deze vergoedt.

2.Gronden

2.1.
Partijen hebben overeenstemming bereikt in die zin dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd vanwege de onjuiste tenaamstelling van de naheffingsaanslag. De rechtbank heeft dienovereenkomstig beslist. Het beroep is daarom gegrond verklaard.
2.2.
Nu de onderhavige naheffingsaanslag is vernietigd, is de daarbij gegeven beschikking belastingrente ook vernietigd.
2.3.
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade (hierna: IMS) vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
2.3.1.
Voor de beoordeling of belanghebbende recht heeft op een IMS wegens overschrijding van de redelijke termijn, gelden de uitgangspunten in de jurisprudentie van de Hoge Raad. [1] Zaaknummer 20/5905 is gelijktijdig behandeld en ook in die zaak is een verzoek gedaan op een IMS. De rechtbank overweegt dat het hier en in zaaknummer 20/5905 gaat om procedures waarin [Y] voor verschillende auto’s aangiften bpm heeft ingediend, waarbij in bezwaar en beroep nagenoeg dezelfde geschilpunten ter discussie staan. Gelet hierop bestaat er voor alle fasen van de procedure van zaaknummers 19/1179 tot en met 19/1189 en 20/5905 een zodanige samenhang dat ter vaststelling van het bedrag van de IMS voor alle zaken gezamenlijk eenmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd.
2.3.2.
De rechtbank stelt vast dat het oudste bezwaarschrift op 3 juli 2018 (zaaknummers 19/1179 tot en met 19/1189) door de inspecteur is ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt op 18 februari 2022 gedaan en dus afgerond 44 maanden na indiening van het bezwaarschrift. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. Nu er geen reden is om van dit uitgangspunt af te wijken, bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn 20 maanden. De vergoeding bedraagt € 500 per overschrijding van een half jaar of deel daarvan. Belanghebbende heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van € 2.000 voor de samenhangende zaken, die uit praktische overwegingen bij deze uitspraak voor het geheel wordt toegekend. Hiervan komt 2/20e deel voor rekening van de inspecteur. De inspecteur wordt dan ook veroordeeld tot betaling van € 200 en de Minister tot betaling van € 1.800. De rechtbank merkt de Minister in zoverre mede aan als partij in dit geding.
2.4.
Nu de naheffingsaanslag wordt vernietigd, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank ziet ook voor de proceskostenvergoeding aanleiding om samenhang aan te nemen tussen de zaaknummers 19/1179 tot en met 19/1189 en 20/5905. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.026,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 269, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 541 en wegingsfactor 1,5 wegens samenhang) voor de samenhangende zaken, die uit praktische overwegingen bij deze uitspraak voor het geheel wordt toegekend. Omdat in de zaak 20/5905 alleen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling wegens de toekenning van een immateriëleschadevergoeding komen in bezwaar verrichte proceshandelingen daar niet voor vergoeding in aanmerking.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier, op 18 februari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.