ECLI:NL:RBZWB:2022:8286

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 juni 2022
Publicatiedatum
17 januari 2023
Zaaknummer
22-007242
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 552d lid 2 SvArt. 36b SrArt. 552f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring klaagschrift tot opheffing beslag personenauto wegens leaseconstructie

Klaagster, een bedrijf, verzocht via een klaagschrift ex artikel 552a Sv om opheffing van beslag op een personenauto die essentieel is voor haar bedrijfsvoering. De auto is in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv Pro vanwege rijden zonder geldig rijbewijs. De officier van justitie stelde dat het beslag terecht was en dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vereist.

De rechtbank oordeelt dat het onderzoek naar het klaagschrift summier van aard is en dat het belang van de strafvordering zich verzet tegen teruggave indien het veiligstellen van bewijs of het voorkomen van onttrekking aan het verkeer noodzakelijk is. Tevens is van belang of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later verbeurdverklaring zal bevelen.

De rechtbank stelt vast dat klaagster een leaseovereenkomst had gesloten, maar niet aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan en dat de lessor de overeenkomst heeft ontbonden. Op grond van jurisprudentie is de lessor eigenaar totdat aan alle verplichtingen is voldaan. Daarom is klaagster niet rechthebbende en wordt het klaagschrift ongegrond verklaard.

De beslissing is genomen door rechter A.L. Hoekstra op 30 juni 2022 en uitgesproken in openbare terechtzitting. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open.

Uitkomst: Het klaagschrift tot opheffing van het beslag op de personenauto wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: -
rk.nummer: 22-007242
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[bedrijf klaagster] B.V.
[adres]
vertegenwoordigt door:
[klaagster]
geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats]
wonende aan [woonadres]
hierna te noemen: klaagster.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 2 april 2022 onder [klaagster] in beslag is genomen: een personenauto van het Mercedes-Benz, A 180, blauw en voorzien van het [kenteken] (hierna: de auto).
  • het klaagschrift, ingediend op 6 april 2022 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 16 juni 2022. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. T. Hendriks en klaagster.
De belanghebbende (overeenkomstig artikel 552a lid 5 Sv), zijnde [bedrijf] B.V. is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan klaagster. Daartoe is aangevoerd dat de auto essentieel is voor het bedrijf. De auto vertegenwoordigt een waarde van € 45.000,00. Wanneer het bedrijf de auto kwijtraakt, is dat een extreem hoge boete. Dit is funest voor het bedrijf.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat er een proces-verbaal is opgemaakt voor het rijden terwijl het rijbewijs ongeldig is verklaard. Het is niet de eerste keer dat beslagene rijdt zonder in bezit te zijn van een geldig rijbewijs. Indien klaagster rechthebbende was geweest, was het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, had bevolen tot verbeurdverklaring. [bedrijf] B.V. is echter rechthebbende, waardoor het goed aan haar dient te worden teruggegeven.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
In deze doet zich de situatie voor dat een ander dan degene tegen wie het strafvorderlijk onderzoek zich richt, stelt rechthebbende te zijn en zich beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave.
De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat klaagster op 6 oktober 2020, ten behoeve van de auto, een leaseovereenkomst is aangegaan met [bedrijf] B.V. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:488, volgt dat indien sprake is van een leaseconstructie, in beginsel de lessor (in dit geval Mercedes-Benz Financial Services) eigenaar is van de auto. De lessor blijft dat totdat een lessee (in dit geval klaagster) aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan. De rechtbank stelt op basis van de stukken en het behandelde in raadkamer vast dat klaagster niet aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan en dat de lessor op 3 juni 2020 een bericht heeft verzonden dat de overeenkomst per direct wordt ontbonden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een ander dan klaagster als redelijkerwijs rechthebbende van de auto is aan te merken. Zij verklaart daarom het klaagschrift ongegrond.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 30 juni 2022 gegeven door mr. A.L. Hoekstra, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. de Kroon, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2022.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).