ECLI:NL:HR:2021:488

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 maart 2021
Publicatiedatum
26 maart 2021
Zaaknummer
19/04748
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onbegrijpelijk oordeel over eigendom leaseauto bij beslag

Klaagster werd geconfronteerd met conservatoir beslag op een personenauto in verband met verdenking van hennepteelt. De rechtbank had geoordeeld dat de auto, ondanks een leaseconstructie, toebehoorde aan klaagster omdat zij de auto maandelijks afbetaalde en de juridische positie van eigenaar naderde. Dit oordeel werd door de Hoge Raad vernietigd omdat de leaseconstructie inhoudt dat de lessor eigenaar blijft totdat alle betalingsverplichtingen zijn voldaan.

De Hoge Raad benadrukte dat conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv alleen gelegd kan worden op voorwerpen die toebehoren aan degene aan wie een geldboete kan worden opgelegd, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen of een maatregel kan worden opgelegd. De rechtbank had onvoldoende rekening gehouden met de juridische eigendomssituatie van de leaseauto.

De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Gelderland voor een nieuwe behandeling en beslissing op het klaagschrift. Hierdoor wordt de juridische eigendom van de auto en het beslag opnieuw beoordeeld binnen de juiste wettelijke kaders.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug voor herbeoordeling van het beslag op de leaseauto.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/04748 B
Datum30 maart 2021
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland van 9 oktober 2019, nummer RK 19/421, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de inbeslaggenomen auto aan de klaagster toebehoort.
2.2
De rechtbank heeft het klaagschrift van de klaagster ongegrond verklaard en heeft daartoe, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang, het volgende overwogen:
“Op 6 maart 2019 is voornoemde personenauto in beslag genomen, omdat klaagster wordt verdacht van een opiumwetdelict, namelijk het kweken van (1004) hennepplanten. Er rust in de strafzaak tegen klaagster, conform artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering, conservatoir beslag op de personenauto nu er wederrechtelijk verkregen voordeel lijkt te zijn van € 120.245,90,-. Uit het dossier blijkt dat er aanwijzingen zijn voor een eerdere oogst.
(...)
Dat klaagster rechthebbende is van de personenauto, volgt genoegzaam uit het raadkamerdossier en uit de door de raadsman ter zitting in raadkamer overgelegde financiële gegevens waaruit blijkt dat klaagster de auto maandelijks afbetaalt. Met betrekking tot de auto is er sprake van een leaseconstructie, waardoor in beginsel de lessor (BMW Financial Services) de eigenaar is van de auto totdat klaagster aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan. Echter, klaagster heeft de dagelijkse beschikking over de auto, voldoet aan alle daarmee samenhangende verplichtingen en heeft tot op heden aan al haar - uit de overeenkomst voortvloeiende - betalingsverplichtingen voldaan. In het maatschappelijk verkeer nadert klaagster wat betreft de juridische positie zozeer de status van civielrechtelijk eigenaar, dat zij in het kader van deze beklagzaak daaraan kan worden gelijkgesteld. Naar het oordeel van de raadkamer kan klaagster dan ook als rechthebbende worden aangemerkt ter zake van de in beslag genomen auto.
(...)
Gelet op het voorgaande blijkt dat er nog sprake is van een strafvorderlijk belang, namelijk dat niet uit te sluiten is dat een rechter, later inhoudelijk oordelend over de strafzaak en een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, klaagster als verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling van een geldboete en/of een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, dat mogelijk de waarde van de auto vergaand overstijgt.”
2.3.1
Artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.
2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3. Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
4. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, of degene aan wie, in het in het derde lid bedoelde geval, de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd, kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.
5. In het geval, bedoeld in het vierde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het vierde lid bedoelde voorwerpen.
6. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”
2.3.2
Conservatoir beslag op grond van artikel 94a leden 1, 2 of 3 Sv kan alleen worden gelegd op voorwerpen die toebehoren aan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, of degene aan wie, in het in het derde lid bedoelde geval, de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd.
2.4
Het cassatiemiddel komt op tegen het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de auto waarop beslag is gelegd op grond van artikel 94a Sv toebehoort aan de klaagster. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat de “klaagster wat betreft de juridische positie zozeer de status van civielrechtelijk eigenaar [nadert], dat zij in het kader van deze beklagzaak daaraan kan worden gelijkgesteld”. Het daarin besloten liggende oordeel dat de inbeslaggenomen auto aan de klaagster toebehoort is niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de rechtbank heeft vastgesteld dat met betrekking tot deze auto sprake is van een leaseconstructie, die inhoudt dat in beginsel de lessor (BMW Financial Services) de eigenaar is van de auto totdat de klaagster aan alle betalingsverplichtingen heeft voldaan.
2.5
De klacht is gegrond. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 maart 2021.