ECLI:NL:RBZWB:2022:7769
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak op bezwaar wegens schending hoorplicht bij parkeerbelasting naheffing
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat hij op 3 juli 2021 geen parkeergeld had betaald in een parkeerzone. Tegen deze naheffingsaanslag maakte belanghebbende bezwaar, waarin hij stelde niet op de hoogte te zijn van de aanmeldplicht voor parkeren. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en deed uitspraak op bezwaar zonder belanghebbende te horen.
De rechtbank beoordeelde of de hoorplicht in de bezwaarfase was geschonden. Hoewel belanghebbende verzocht had om gehoord te worden, stelde de heffingsambtenaar dat het uitblijven van een nadere motivering betekende dat het hoorrecht was gepasseerd. De rechtbank oordeelde dat dit onjuist was, omdat het bezwaar een gegrond bezwaar bevatte en de heffingsambtenaar belanghebbende niet adequaat in de gelegenheid had gesteld om te worden gehoord.
Daarom vernietigde de rechtbank de uitspraak op bezwaar en verwees de zaak terug naar de heffingsambtenaar met de opdracht om belanghebbende deugdelijk te horen alvorens een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar wegens schending van de hoorplicht en wijst de zaak terug voor een nieuwe beslissing waarbij belanghebbende moet worden gehoord.