De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinderalimentatie die was vastgelegd in een ouderschapsplan uit 2018. De vrouw stelde dat de oorspronkelijke afspraak was gemaakt met grove miskenning van de wettelijke maatstaven en dat er gewijzigde omstandigheden waren die een aanpassing rechtvaardigen.
De rechtbank onderzocht de winstgegevens van de man over de jaren 2014 tot en met 2016 en concludeerde dat partijen destijds zijn uitgegaan van onjuiste gegevens, waardoor sprake was van een duidelijke wanverhouding tussen de overeengekomen en de wettelijk vast te stellen bijdrage. De rechtbank stelde de gemiddelde winst in redelijkheid vast op €27.000 per jaar en herrekende de alimentatie.
Verder werd vastgesteld dat sinds 2021 de omstandigheden waren gewijzigd, met name het inkomen van beide ouders, wat aanleiding gaf tot een nieuwe berekening van de draagkracht en behoefte. De rechtbank bepaalde de wijziging van de alimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, 22 juli 2021, en stelde de bijdrage van de man vast op €364 per maand tot 9 juli 2022 en €379 per maand daarna. Het verzoek tot terugwerkende kracht tot 1 januari 2018 werd afgewezen vanwege de financiële impact en het ontbreken van bewijs van tekortkoming van de minderjarige.
De zaak werd aangehouden voor de definitieve zorgregeling, die op een later moment zal worden behandeld.