Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 16 maart 2022 met de daarin vermelde stukken,
- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 27 september 2022 en de ter gelegenheid daarvan door mr. Gerritsen en mr. Van Gurp overgelegde spreekaantekeningen.
2.De feiten
1 januari 2021 opgezegd. Van de zijde van SD Worx is op dezelfde dag per
e-mailbericht aan [gedaagde] bericht dat opzegging alleen mogelijk was tegen
1 januari 2023.
€ 1.105,52 inclusief BTW gezonden wegens de salarisverwerking voor de maand december 2020. Deze factuur heeft [gedaagde] onbetaald gelaten.
3.Het geschil
€ 35.097,83 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van
€ 33.992,31 vanaf datum dagvaarding en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 1.105,52 vanaf 5 februari 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
1 januari 2021 en ten aanzien van de factuur met ingang van 5 februari 2021.
4.De beoordeling
- Salaris implementatie (voornamelijk in december 2019)
- HRM & Rapportage implementatie (voornamelijk in jan-feb 2020)
5 februari 2021 gevorderde wettelijke handelsrente over voormeld factuurbedrag is onweersproken en derhalve eveneens toewijsbaar.
5.De beslissing
7 december 2022