Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, werkzaam als predikant en geestelijk verzorger, maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2015 en de daarbij berekende belastingrente. De inspecteur had aanvankelijk een belastbaar inkomen vastgesteld van €66.347 en belastingrente van €613. Na bezwaar werd dit aangepast naar €62.948 en €416 respectievelijk, maar belanghebbende vond dat de aftrek van kosten en giften te laag was vastgesteld.
De rechtbank beoordeelde de aftrekposten en oordeelde dat belanghebbende recht heeft op een hogere aftrek van kosten (€5.008) dan de inspecteur had toegekend (€4.947), maar geen hogere giftenaftrek dan de reeds geaccepteerde €880. De rechtbank verwierp aftrek van kosten voor printerinkt en voor reiskosten die niet voldoende waren onderbouwd. De belastingrente werd als terecht in rekening gebracht aangezien de inspecteur niet onzorgvuldig had gehandeld.
Daarnaast kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding van €2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling, waarvan €1.913 voor rekening van de inspecteur en €87 voor de Minister van Justitie en Veiligheid. Ook werd belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend. De aanslag werd verminderd tot een belastbaar inkomen van €60.459.
De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige en tijdige afhandeling van belastingzaken en benadrukt de noodzaak van voldoende bewijs voor aftrekposten. Tevens onderstreept het de mogelijkheid tot vergoeding bij overschrijding van redelijke termijnen in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: De aanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van €60.459, belastingrente bevestigd, en immateriële schadevergoeding van €2.000 toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.