Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de belastingrente van €17.108 die was opgelegd bij de aanslag vennootschapsbelasting over 2018. De belastingrente was berekend over de periode van 1 juli 2019 tot en met 15 februari 2020. De rechtbank oordeelt dat de aanslag zelf niet in geschil is, maar dat het geschil zich richt op de hoogte van de belastingrente.
Belanghebbende betoogde dat toepassing van het evenredigheidsbeginsel geboden was omdat de Belastingdienst het geld slechts 22 dagen niet had, terwijl de rente over een veel langere periode werd berekend. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke bepalingen voor de belastingrente dwingendrechtelijk zijn en dat de inspecteur geen beleidsvrijheid heeft bij de toepassing hiervan. Het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:4 Awb Pro, is daarom niet van toepassing op de renteberekening.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het in rekening brengen van de volledige belastingrente onevenredig bezwaarlijk is. De onjuiste aangifte van belanghebbende is de oorzaak van de rente. Ook het beroep op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel wordt verworpen omdat geen sprake is van een belemmering van de Europese vrijheden.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en handhaaft zij de beschikking tot belastingrente. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de belastingrente van €17.108 wordt ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.